Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201408726/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2014 heeft het dagelijks bestuur onder meer locatie 41-05 ter hoogte van de woning aan de [locatie] te Amsterdam aangewezen voor de plaatsing van één ondergrondse afvalcontainer voor huishoudelijk restafval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408726/1/A4.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2014 heeft het dagelijks bestuur onder meer locatie 41-05 ter hoogte van de woning aan de [locatie] te Amsterdam aangewezen voor de plaatsing van één ondergrondse afvalcontainer voor huishoudelijk restafval.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Post, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en G. Westerbos, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur niet op juiste wijze heeft gereageerd op zijn zienswijze over het ontwerp van het aanwijzingsbesluit. Volgens hem heeft het dagelijks bestuur zijn in zijn zienswijze aangedragen argumenten tegen de aanwijzing van locatie 41-05 ten onrechte één voor één beoordeeld in het licht van het belang van een doelmatige inzameling, terwijl zijn argumenten in onderlinge samenhang dienden te worden beoordeeld.

1.1. Het dagelijks bestuur is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen van [appellant]. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop in het bestreden besluit is gereageerd op de zienswijzen van [appellant] in strijd is met enige rechtsregel. Of het dagelijks bestuur op basis van een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid locatie 41-05 heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van afvalcontainers wordt hieronder beoordeeld.

Het betoog faalt.

2. Bij het aanwijzingsbesluit heeft het dagelijks bestuur onder meer locatie 41-05 ter hoogte van de woning van [appellant] aan de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van één ondergrondse afvalcontainer voor huishoudelijk restafval. De afvalcontainer wordt in de restruimte van de parkeerstrook evenwijdig aan het trottoir geplaatst. De afstand tot de voorgevel van de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 4 m.

Bij het bepalen van de locaties heeft het dagelijks bestuur de nota "Beleidsregels OAIS: plaatsingscriteria ondergrondse afvalinzamelsystemen stadsdeel Zuid" van 25 februari 2014 gehanteerd.

3. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de nota. Hij betoogt dat het niet bevoegd was de nota vast te stellen. Daartoe voert hij aan dat ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam de deelraad als bedoeld in de Verordening op de stadsdelen bevoegd is een aanwijzingsbesluit te nemen, zodat de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen ook uitsluitend aan de deelraad toekomt.

3.1. Het aanwijzingsbesluit is gebaseerd op artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders kan aanwijzen met behulp van welk inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen zijn bevoegdheden, waaronder die tot het nemen van het aanwijzingsbesluit, door het college gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid. Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid de nota vastgesteld. De nota is als beleidsregel bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad Stadsdeelkrant Zuid van 6 maart 2014.

Met de inwerkingtreding van de Verordening op de bestuurscommissies 2013 (hierna: Verordening 2013) op 19 maart 2014 is het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid opgeheven en is het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie ingesteld. Gezien artikel 24, tweede lid, van de Verordening 2013 in verbinding met het Mandaatbesluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid van 27 maart 2014 berust de bevoegdheid om een aanwijzingsbesluit te nemen sindsdien bij het dagelijks bestuur. In artikel 38 van de Verordening 2013 is bepaald dat de voorafgaand aan de opheffing van de stadsdelen op 27 maart 2014 geldende beleidsregels gedurende twee jaren na die datum hun rechtskracht behouden. Gezien het voorgaande geldt de nota als beleidsregels van het dagelijks bestuur en diende het dagelijks bestuur deze toe te passen bij het nemen van het aanwijzingsbesluit.

Het betoog faalt.

4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de nota wordt onder locatienetwerk verstaan: netwerk van ondergrondse afvalinzamelsystemen waarbij de locaties zo op elkaar zijn afgestemd dat een zo optimaal mogelijk sluitend netwerk, alsmede een zo evenredig mogelijke verdeling van de inzamelcapaciteit in relatie tot het afvalaanbod worden verkregen.

Ingevolge artikel 2 neemt het dagelijks bestuur bij de aanwijzing van locaties de volgende algemene criteria in acht:

1. De loopafstand vanaf een woning tot een locatie bedraagt maximaal 75 m.

2. Een locatie maakt onderdeel uit van een locatienetwerk.

(...)

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt als bij de aanwijzing van een locatie zich de keuze voordoet tussen de aanwijzing van een locatie voor een gebouw met een woning op de begane grond, of voor een gebouw met op de begane grond een niet-woonfunctie, als locatie aangewezen het gebouw met de niet-woonfunctie op de begane grond.

Ingevolge het tweede lid wegen in de situatie dat met inachtneming van de bovengenoemde criteria een locatie wordt aangewezen voor een woning en binnen de kaders van deze beleidsregel geen alternatieve locatie mogelijk is, de belangen die zijn gediend met het aanbieden van een laagdrempelig afvalinzamelsysteem door realisering van een locatienetwerk met een maximale loopafstand van 75 m vanaf een woning, alsmede het belang dat is gediend met het bereiken van een sluitend locatienetwerk met een evenredige inzamelcapaciteit in relatie tot het afvalaanbod, zwaarder dan het belang van omwonenden bij de niet aanwijzing van een locatie voor hun woning.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, is het dagelijks bestuur bevoegd af te wijken van de maximale loopafstand in artikel 2, aanhef en onder 1, tot een loopafstand van maximaal 85 m indien ten opzichte van locatie met een loopafstand van 75 m tot een woning binnen een afstand van 10 m een locatie is gelegen waar de ondergrondse afvalcontainer(s) gesitueerd kan (kunnen) worden voor een blinde muur, nabij een hoek van een straat of voor een gebouw waarin op de begane grond geen woning is gevestigd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het dagelijks bestuur bevoegd om, door middel van een expliciet besluit, af te wijken van de maximale loopafstand in artikel 2, aanhef en onder 1, tot een maximale loopafstand van 125 m, indien het plaatsen van containers op een afstand op 75 m leidt tot een inefficiëntie in het locatienetwerk ten aanzien van de verdeling van de inzamelcapaciteit in relatie tot het afvalaanbod.

5. De nota bevat criteria die het dagelijks bestuur bij de aanwijzing van locaties in acht moet nemen, regels die aangeven onder welke omstandigheden van de criteria mag worden afgeweken, en regels omtrent de belangenafweging ingeval meer locaties aan de criteria voldoen. Gezien hun aard en inhoud zijn deze regels beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in verbinding met artikel 4:81, vierde lid, van die wet.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de in deze nota neergelegde beleidsregels kennelijk onredelijk zijn.

6. [appellant] betoogt dat de locaties op de trottoirs ter hoogte van de kruisingen van de Jacob Marisstraat met de Weissenbruchstraat en de Theophile de Bockstraat geschikter zijn dan locatie 41-05 voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers. Daartoe voert hij aan dat deze locaties ter hoogte van bedrijfsruimten liggen, terwijl locatie 41-05 voor zijn woning ligt. Volgens hem voldoen de voorgestelde alternatieve locaties aan het criterium van een maximale loopafstand van 75 m, zijn de trottoirs op de door hem voorgestelde locaties breder en zal minder stank- en geluidoverlast en overlast door zwerfvuil worden ervaren, omdat dichtbij geen woningen liggen. Naar zijn stelling had het dagelijks bestuur gelet hierop op grond van artikel 3, eerste lid, van de nota de door hem voorgestelde locaties moeten aanwijzen als locatie voor het plaatsen van afvalcontainers.

6.1. Het dagelijks bestuur heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de door [appellant] voorgestelde alternatieven niet voldoen aan de criteria van artikel 2 van de nota, die in acht moeten worden genomen bij de aanwijzing van locaties.

6.2. Niet in geschil is en ook de Afdeling gaat ervan uit dat locatie 41-05 voldoet aan de criteria van artikel 2 van de nota.

Het door [appellant] genoemde alternatief bestaat uit plaatsing van één afvalcontainer op de hoek van de Jacob Marisstraat en de Weissenbruchstraat en één afvalcontainer op de hoek met de Theophile de Bockstraat. Het voorstel voorziet in twee locaties, omdat in dat geval wordt voldaan aan het criterium dat de maximale loopafstand voor omwonenden niet meer dan 75 m mag bedragen.

In het verweerschrift en ter zitting heeft het dagelijks bestuur, mede aan de hand van tekeningen, uiteengezet dat de plaatsing van afvalcontainers aan de weerszijden van de Jacob Marisstraat ertoe leidt dat er geen optimale verdeling is van het netwerk en leidt tot een onevenredige capaciteitsverdeling van het afvalaanbod, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 2, van de nota, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder g. Het dagelijks bestuur heeft in dit verband erop gewezen dat de voorgestelde locaties op korte afstand liggen van twee andere bij het bestreden besluit aangewezen locaties, zodat aldaar sprake zal zijn van overcapaciteit van de afvalcontainers in relatie tot het afvalaanbod. Verder heeft het dagelijks bestuur erop gewezen dat in de Jacob Marisstraat, gelet op het afvalaanbod, kan worden volstaan met de plaatsing van één afvalcontainer. Nu het voorstel van [appellant] voorziet in de plaatsing van twee afvalcontainers is er ook om die reden een niet zo evenredig mogelijke verdeling van de inzamelcapaciteit in relatie tot het afvalaanbod, aldus het dagelijks bestuur.

Geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de stelling van het dagelijks bestuur dat de door [appellant] voorgestelde alternatieven ertoe leiden dat er geen optimale verdeling is van het netwerk en leiden tot een onevenredige verdeling van de inzamelcapaciteit van het afvalaanbod. Het dagelijks bestuur heeft zich dan ook, gelet op de door hem gegeven motivering, terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] voorgestelde alternatieven niet voldoen aan de criteria van artikel 2 van de nota. Reeds hierom bestond voor het dagelijks bestuur in zoverre geen aanleiding af te zien van de aanwijzing van locatie 41-05.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt vervolgens dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het dagelijks bestuur noopten met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de nota, hetgeen het ten onrechte niet heeft gedaan.

7.1. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

7.2. Een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. De afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb ziet op bijzondere gevallen die niet in de beleidsregel zijn verdisconteerd.

Bij de vaststelling van de nota is onderkend dat zich een situatie kan voordoen waarin een locatie voor een woning wordt aangewezen. De omstandigheid dat de aangewezen locatie voor de woning van [appellant] ligt, vormt derhalve geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Het dagelijks bestuur heeft daarin dan ook terecht geen aanleiding gezien om van de nota af te wijken.

Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

163-784.