Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2033

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201402448/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], 13 en Ketelstraat 26" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402448/2/R2.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Groesbeek,

en

de raad van de gemeente Groesbeek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], 13 en Ketelstraat 26" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.H.M. Essink, en de raad, vertegenwoordigd door drs. C.M. Sleyfer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Bij tussenuitspraak van 10 december 2014, in zaak nr. 201402448/1/R2, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 30 januari 2014 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2015, aangevuld bij brief van 20 februari 2015, heeft de raad een nadere motivering van zijn besluit van 30 januari 2014 ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 30 januari 2014 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld. Zij heeft daartoe overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gevolgen van de in het plan voorziene ontwikkelingen, gelet op de geluid- en geurbelasting ervan, voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] aanvaardbaar zijn.

2. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 januari 2014 gegrond. Dit besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 4.9 van deze uitspraak is overwogen alsnog deugdelijk te motiveren dat de gevolgen van de in het plan voorziene ontwikkelingen, gelet op de geur- en geluidbelasting ervan, voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] aanvaardbaar zijn, dan wel het plan te wijzigen.

De nadere motivering

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een nadere motivering van het besluit van 30 januari 2014 bij de Afdeling ingediend. In deze nadere motivering heeft de raad zich met betrekking tot de geurbelasting van de in het plan voorziene gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) op de woning van [appellant] op het standpunt gesteld dat de voorziene ontwikkelingen geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaken.

Voorts stelt de raad zich onder verwijzing naar een akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek [locatie] te Groesbeek" van G&O Consult van 27 januari 2015 (hierna: het akoestisch rapport) op het standpunt dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder. Volgens de raad volgt uit het onderzoek, waarin het langtijdgemiddelde geluidniveau, het maximale geluidniveau en de indirecte hinder zijn berekend, dat de grenswaarden voor de geluidbelasting uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer) die voor de manege gelden, ter plaatse van omliggende woningen, waaronder de woning van [appellant], niet worden overschreden. Hierbij is ook gekeken naar transportbewegingen, piekgeluiden en stemgeluid die met de in het plan voorziene ontwikkelingen gepaard gaan. Gelet hierop is ter plaatse van deze woningen dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aldus de raad.

5. [appellant] heeft zich in zijn zienswijze enkel gericht tegen de nadere motivering van de raad voor zover deze op de geluidbelasting van de in het plan voorziene ontwikkelingen ziet. [appellant] heeft naar aanleiding van de bij brief van de raad van 12 februari 2015 gegeven nadere motivering voor zover deze ziet op de geurbelasting van de in het plan voorziene ontwikkelingen geen zienswijze ingediend. De Afdeling ziet, in aanmerking genomen dat geen zienswijze naar voren is gebracht tegen de inhoud van de brief van de raad van 12 februari 2015, voor zover het de geurbelasting betreft, geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad gegeven motivering waarop het besluit berust in zoverre niet toereikend is.

6. Ten aanzien van de geluidbelasting van de in het plan voorziene ontwikkelingen betoogt [appellant] in zijn zienswijze dat de raad ten onrechte het akoestisch rapport aan zijn nadere motivering ten grondslag heeft gelegd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij de notitie "controle akoestisch rapport 359ao0214 v1 d.d. 27 januari 2015 van G&O Consult betreffende [manege] te Groesbeek" van ABOVO Acoustics van 15 april 2015 (hierna: de notitie) overgelegd. Voorts betoogt [appellant] dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met alle voor de manege relevante bronnen en dat voor het verkeer van en naar de manege niet is uitgegaan van realistische aantallen. Voorts wijst hij erop dat voorbijgaande auto’s vaak zijn voorzien van paardentrailers en dat regelmatig tractors met landbouwmachines zijn woning passeren.

6.1. In het akoestisch rapport zijn de uitkomsten neergelegd van het onderzoek naar de geluidbelasting van de representatieve bedrijfssituatie van de op het perceel [locatie] aanwezige en in het plan voorziene manege, die is gedefinieerd als de maximale werksituatie die vaker voorkomt dan twaalf keer per jaar. In het rapport staat dat de inrichting het gehele jaar is geopend en dat de activiteiten van maandag tot en met zondag plaatsvinden. ’s Nachts vinden geen activiteiten plaats. Uitgangspunt is dat in de manege 50 paarden worden gehouden. De bronnen die bij het onderzoek naar de geluidbelasting van de manege zijn betrokken zijn de aanvoer van voer en silagepakken, de afvoer van mest door een vrachtwagen, de autobewegingen van bezoekers, stationaire bronnen, een tractor en een minishovel die op het perceel aanwezig zijn, de rijbewegingen met een vrachtwagen en het stemgeluid van ruiters en instructeurs in de buitenbak en op de parkeerplaats. Volgens het akoestisch rapport zijn voor de kleine ondersteunende horecavoorziening geen geluidsbronnen ingevoerd, omdat de achtergrondmuziek en het geluid van bezoekers daarvan buiten de inrichting niet hoorbaar zijn. Uit de berekeningen volgt dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] in de dagperiode voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 44 dB(A) en wat betreft het maximale geluidniveau 68 dB(A), en in de avondperiode voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 37 dB(A) en wat betreft het maximale geluidniveau 56 dB(A) bedraagt. Gelet hierop worden de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) en 40 dB(A) voor de dagperiode respectievelijk de avondperiode en de grenswaarden voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) en 65 dB(A) voor de dagperiode respectievelijk de avondperiode, die ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de manege gelden, niet overschreden. Daarnaast is de indirecte hinder onderzocht van activiteiten die buiten het terrein van de inrichting plaatsvinden maar direct verband houden met de aan- en afvoerbewegingen voor de onderhavige inrichting. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de circulaire van de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de Schrikkelcirculaire). In het akoestisch rapport is uitgegaan van 150 verkeersbewegingen met personenauto’s en 6 verkeersbewegingen met vrachtwagens in de dagperiode en 50 verkeersbewegingen met personenauto’s in de avondperiode. Uit de berekeningen volgt dat de geluidbelasting van deze indirecte hinder ter plaatse van de woning van [appellant] voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode 44 dB(A) en in de avondperiode 43 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt aan de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) respectievelijk 45 dB(A), die ingevolge de Schrikkelcirculaire voor de manege gelden, voldaan. De conclusie van het akoestisch rapport is dat aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Schrikkelcirculaire wordt voldaan en dat derhalve sprake is van een ruim aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen, waaronder de woning van [appellant].

6.2. In de door [appellant] overgelegde notitie over het akoestisch rapport staat dat het onderzoek waarvan de resultaten in het akoestisch rapport zijn neergelegd in de basis correct is opgezet, maar dat er enkele aanvullingen of aanpassingen zouden moeten worden doorgevoerd. Of deze resulteren in relevante verschillen in de uitkomst is, aldus de notitie, niet op voorhand te bepalen.

De Afdeling stelt vast dat in de notitie die [appellant] heeft overgelegd een aantal keer op onnauwkeurigheden in de tekst van het akoestisch rapport is gewezen, zonder dat daarbij inzichtelijk is gemaakt waarom het rapport gelet daarop zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad dit niet aan zijn nadere motivering ten grondslag heeft mogen leggen. In zoverre treffen deze opmerkingen dan ook geen doel. Evenmin kunnen de opmerkingen dat bronnen die volgens de tekst van het akoestisch rapport niet in de berekeningen van de geluidbelasting zijn meegenomen maar wel in de resultatenlijsten staan genoemd, die ten grondslag zijn gelegd aan de uiteindelijke berekening van de geluidbelasting, tot het oordeel leiden dat het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van de in het plan voorziene ontwikkelingen op de woning van [appellant] in zoverre onvolledig is.

Voorts staat in de notitie en in de zienswijze dat een aantal bronnen ten onrechte niet bij het akoestisch onderzoek zijn betrokken. In dat verband overweegt de Afdeling dat [appellant] daarbij niet nader heeft toegelicht dat in het akoestisch rapport in zoverre niet van een representatieve bedrijfssituatie is uitgegaan. Evenmin heeft [appellant] betoogd of aannemelijk gemaakt dat de geluidbelasting van de manege aan de [locatie] zodanig is dat ter plaatse van de woning van [appellant] geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zou zijn gegarandeerd.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat bij de berekening van de geluidbelasting, veroorzaakt door het verkeer van en naar de manege, niet is uitgegaan van realistische aantallen heeft [appellant] niet gemotiveerd betwist dat een aantal van 200 verkeersbewegingen met personenauto’s en 6 verkeersbewegingen met vrachtwagens per dag in een representatieve bedrijfssituatie in dit geval als een juist uitgangspunt kan worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] in zijn zienswijze vermeldt dat hij zelf een gemiddeld aantal auto’s van 35 per dag en op feestdagen en met concoursen een aantal van 80 auto’s per dag heeft geteld. Deze aantallen blijven ruimschoots onder het aantal waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Verder blijkt uit het akoestisch onderzoek dat bij het aantal verkeersbewegingen zowel de aanrijdende als de afrijdende route zijn meegenomen, waarbij is uitgegaan van een worst-case situatie waarbij al het verkeer van en naar de manege zowel vanuit zuidoostelijke als noordwestelijke richting de woning van [appellant] passeert met een snelheid van 50 km/uur.

Voor zover in de notitie wordt opgemerkt dat een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de toetsing aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de toetsing of sprake is van een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat nu aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan, derhalve ook sprake is van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] heeft niet inhoudelijk betwist dat dit standpunt in dit geval onjuist is.

6.3. Voor zover [appellant] er nog op heeft gewezen dat regelmatig auto’s met paardentrailers en tractoren met landbouwmachines zijn woning passeren, overweegt de Afdeling dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geluidbelasting van de manege in cumulatie met deze verkeersbewegingen tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning zou kunnen leiden.

6.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek met betrekking tot de in het plan voorziene ontwikkelingen geen representatieve bedrijfssituatie is weergegeven. Gelet op het voorgaande is evenmin aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad dit rapport niet aan zijn nadere motivering ten grondslag heeft mogen leggen. Onder genoemde omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van de in het plan voorziene ontwikkelingen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] aanvaardbaar zijn. Het betoog faalt.

7. Voorts betoogt [appellant] dat het beginsel van equality of arms is geschonden. Daartoe voert hij aan dat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt om een contra-expertise van het akoestisch rapport te laten uitvoeren. Op zijn verzoek om in het thans voorliggende geding een deskundige te benoemen heeft de Afdeling afwijzend beslist.

7.1. [appellant] heeft het akoestisch rapport voorgelegd aan het bureau ABOVO Acoustics en de bevindingen van dat bureau aan de Afdeling als bijlage bij zijn zienswijze toegezonden. Voor zover hij betoogt dat hij in een zodanige financiële positie verkeert dat hij zich geen uitgebreidere contra-expertise kan veroorloven, overweegt de Afdeling dat een tegenrapport niet gebaseerd hoeft te zijn op een onderzoek dat in omvang vergelijkbaar is met het bij de motivering betrokken verrichte akoestisch onderzoek. Ook indien een appellant geen deskundige inschakelt, maar zelf onderbouwd en gemotiveerd de juistheid van de nadere motivering en een eventueel daaraan ten grondslag gelegd akoestisch rapport betwist, beziet de Afdeling of hetgeen hij heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bestemmingsplan tot een goede ruimtelijke ordening strekt. Hoewel de Afdeling in dit verband de bevoegdheid heeft om zelf een deskundige te benoemen, heeft de Afdeling in hetgeen [appellant] in zijn beroep en in zijn zienswijze hierover heeft aangevoerd geen aanleiding gezien van deze bevoegdheid gebruik te maken. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde beginsel van equality of arms is geschonden.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 30 januari 2014 in stand blijven.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Groesbeek van 30 januari 2014;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Groesbeek tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1270,34 (zegge: twaalfhonderdzeventig euro en vierendertig cent), waarvan € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Groesbeek aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

159-820.