Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2022

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201405804/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het college voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Hengelo, sectie D, nummer 13776 (hierna: het EMGA Noord-perceel) een beschikking als bedoeld in de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming genomen.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Wet bodembescherming 27
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7000
Milieurecht Totaal 2015/6228
JM 2015/108 met annotatie van Y. Flietstra
JBO 2015/325 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405804/1/A4.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Groot-Ammers Emga B.V. (hierna: EMGA), gevestigd te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het college voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Hengelo, sectie D, nummer 13776 (hierna: het

EMGA Noord-perceel) een beschikking als bedoeld in de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming genomen.

Tegen dit besluit heeft EMGA beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. EMGA heeft een zienswijze hierover naar voren gebracht.

EMGA en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2015, waar EMGA, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. G. Koop en mr. V.R.C. van Ahee, beiden advocaat te Rotterdam, en ing. J.D.B. Leeferink, werkzaam bij Envita Almelo B.V. (hierna: Envita), en het college, vertegenwoordigd door A. van Es-Boeren, M.A.M. Schepers-Sombekke en F. Rus, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het EMGA Noord-perceel maakt onderdeel uit van het (voormalige) Dikkers-complex, waarop de fabriek G. Dikkers & Co was gevestigd. Op het complex waren onder meer gieterijen voor koper, ijzer en staal, een bankwerkerij en een reparatieafdeling gevestigd. Het EMGA Noord-perceel grenst aan de noord- en oostzijde aan het voormalige bedrijfsterrein van Koninklijke Machinefabriek Stork B.V., waar onder meer een drukkerij, ijzergieterij en pijpenbuigerij waren gevestigd (hierna: het Stork-perceel).

Bij het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten op het Dikkers-complex hebben geleid tot één geval van verontreiniging van de bodem en het grondwater op het EMGA Noord-perceel. De grond is ernstig verontreinigd met zware metalen, PAK en asbest, het ondiepe grondwater met minerale olie en vluchtige organische chloorverbindingen (hierna: VOCl) en het diepere grondwater met VOCl, aangezien deze stoffen in de grond en het grondwater de interventiewaarden overschrijden. Nu uit een aanvullende risicobeoordeling is gebleken dat de jaarlijkse toename van de verontreiniging van het diepere grondwater boven de interventiewaarde meer dan 1.000 m3 bedraagt, is sprake van een actueel verspreidingsrisico en is derhalve spoedige sanering van het geval van verontreiniging noodzakelijk, aldus het college.

2. Ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.

Ingevolge dat artikel wordt verstaan onder geval van ernstige verontreiniging: geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen gedeputeerde staten naar aanleiding van een nader onderzoek in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 88, eerste en zevende lid, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder o, van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, zoals deze bepalingen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidden, wordt de gemeente Hengelo voor de toepassing van onder meer de artikelen 29 en 37 van de Wbb gelijkgesteld met een provincie.

3. EMGA betoogt dat het college de verontreinigingen op het EMGA Noord-perceel ten onrechte als één geval van verontreiniging heeft aangemerkt. Onder verwijzing naar de resultaten van in haar opdracht door Envita verricht onderzoek voert EMGA onder meer aan dat geen sprake is van organisatorische samenhang. Uit dit onderzoek volgt volgens haar onder meer dat de bron van de VOCl-verontreiniging in het diepere grondwater niet op het EMGA Noord-perceel ligt. Anders dan het college stelt, vonden op het EMGA Noord-perceel geen schoonmaakwerkzaamheden plaats met stoffen die deze verontreiniging hebben kunnen veroorzaken, terwijl onder meer op het Stork-perceel wel activiteiten plaatsvonden die tot deze verontreiniging hebben kunnen leiden, aldus EMGA.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 in zaak nr. 201403045/1/A4; www.raadvanstate.nl) is er, gelet op de in artikel 1 van de Wbb gegeven definitie van geval van verontreiniging, één geval van verontreiniging indien de verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische én ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Technische samenhang is aanwezig als de verontreinigingen zijn veroorzaakt door een zelfde productieproces, installatie of mechanisme. Organisatorische samenhang doet zich voor, indien de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging niet gescheiden kunnen worden in verschillende organisatorische eenheden. Ruimtelijke samenhang doet zich voor, indien de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen.

3.2. In het conceptrapport "Verkennend en nader bodemonderzoek westelijk deel EMGA Noord-terrein aan het Esrein in Hengelo" van Envita van 28 april 2014 is vermeld dat bij peilbuizen 302A/B een hoge concentratie aan VOCl in het middeldiepe en diepe grondwater is aangetroffen, onderscheidenlijk 34.000 mg/l en 190.000 mg/l aan tetrachlooretheen (hierna: per), hetgeen duidt op de aanwezigheid van een zaklaag met puur product. Peilbuizen 302A/B liggen op het noordwestelijke deel van het EMGA Noord-perceel, op enkele meters afstand van het Stork-perceel. Onbetwist is dat op het perceel van Stork activiteiten hebben plaatsgevonden die tot verontreiniging van grondwater met VOCl hebben kunnen leiden. De peilbuizen liggen weliswaar, gezien de overwegend noordwestelijke stromingsrichting van het grondwater ter plaatse, stroomopwaarts van het Stork-perceel, maar in een bij het beroepschrift gevoegde reactie op het bestreden besluit van Envita van 9 juli 2014 is uiteengezet dat het desondanks mogelijk is dat de VOCl-verontreiniging zich vanaf het Stork-perceel heeft verspreid naar het EMGA Noord-perceel. Daarbij is vermeld dat bij peilbuizen 302A/B sprake lijkt te zijn van een lagere grondwaterstand, waarbij de stromingsrichting juist richting de peilbuizen gaat. Verder is vermeld dat per zich alleen met de grondwaterstromingsrichting verspreidt voor zover het wordt opgelost, dat puur product naar beneden zakt en dat ter plaatse sprake lijkt te zijn van een slecht doorlatende klei- of leemlaag met een helling richting het EMGA Noord-perceel, waardoor puur product in die richting zal zijn afgezakt. Omdat voorts uit historische gegevens blijkt dat nabij peilbuizen 302A/B geen opslag of gebruik van VOCl plaatsvond, terwijl dat wel het geval was op het Stork-perceel, op het EMGA Noord-perceel weliswaar stroomopwaarts een inpandige VOCl-verontreiniging aanwezig is, maar deze afdoende is afgeperkt, en peilbuizen 302A/B de enige peilbuizen op het perceel zijn waar per in significante concentratie is aangetoond, is het volgens Envita waarschijnlijk dat de bron van de VOCl-verontreiniging in het diepere grondwater is gelegen op het Stork-perceel.

In het deskundigenbericht van de StAB is vermeld dat, daargelaten of de slecht doorlatende bodemlaag ter plaatse afhelt richting het EMGA Noord-perceel, niet uit te sluiten is dat VOCl als puur product ter plaatse van deze bodemlaag tegen de grondwaterstromingsrichting in kan uitvloeien. Het historisch onderzoek geeft volgens de StAB sterke aanwijzingen dat de bron van de VOCl-verontreiniging waarschijnlijk niet op het EMGA Noord-perceel ligt, maar eerder op het Stork-perceel. Alleen nader onderzoek kan volgens de StAB uitwijzen waar de bron is gelegen. In hetgeen het college heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om op dit punt aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

Gelet op het voorgaande kan er op grond van de thans beschikbare onderzoeksgegevens niet van worden uitgegaan dat de VOCl-verontreiniging in het diepere grondwater is veroorzaakt door de activiteiten op het Dikkers-complex, zodat niet kan worden uitgegaan van organisatorische samenhang tussen deze verontreiniging en de overige verontreinigingen op het EMGA Noord-perceel. Het college is er bij het nemen van het bestreden besluit dan ook op onjuiste gronden van uitgegaan dat alle verontreinigingen op het EMGA Noord-perceel tezamen één geval van verontreiniging in de zin van de Wbb vormen.

Het betoog slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 3 juni 2014 dient wegens strijd met 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. Hetgeen EMGA voor het overige in beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 3 juni 2014, kenmerk BO-2013-0042-001;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Groot-Ammers Emga B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.225,00 (zegge: duizendtweehonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hengelo aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Groot-Ammers Emga B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Grinsven

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

462-811.