Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201404968/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 16 mei 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404968/1/V3.

Datum uitspraak: 15 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), van 10 juni 2014 in zaken

nrs. 14/12003, 14/12009, 14/12006 en 14/12010 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 mei 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door

mr. D. de Vries, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De vreemdelingen zijn in de gelegenheid gesteld reacties in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klagen de vreemdelingen, wier gezin mede bestaat uit een minderjarige dochter op wie één van de besluiten tevens ziet, onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beroepsgrond dat overdracht aan Italië strijdig zal zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) faalt. Zij verwijzen in dit verband naar de ten tijde van het instellen van het hoger beroep nog bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) aanhangige zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12.

1.1. Uit het op 4 november 2014 door het EHRM gewezen arrest in voormelde zaak (www.echr.coe.int; hierna: het arrest Tarakhel) volgt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 mei 2015 in zaak nr. 201407654/1/V3), dat overdracht van een gezin met minderjarige kinderen aan Italië leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie, indien de staatssecretaris voorafgaand aan de overdracht geen garanties heeft verkregen van de Italiaanse autoriteiten dat de gezinsleden samen, en in voor hen geschikte voorzieningen, zullen worden opgevangen. Nu uit de besluiten niet blijkt dat de staatssecretaris zich rekenschap heeft gegeven van deze voorwaarde, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij zich in die besluiten op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat bij overdracht van de vreemdelingen geen schending van artikel 3 van het EVRM dreigt.

De grief slaagt in zoverre.

2. Hetgeen overigens is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, in zoverre met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 16 mei 2014 alsnog gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond dan wel onderdelen van de besluiten van 16 mei 2014 waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

4. De Afdeling ziet, gelet op het navolgende, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4.1. Bij brief van 2 maart 2015 heeft de staatssecretaris desgevraagd een verklaring van de Italiaanse autoriteiten overgelegd, waarin de Italiaanse autoriteiten garanderen om bepaalde, op een niet bijgevoegde lijst genoemde, gezinnen met minderjarige kinderen na hun overdracht aan Italië op te vangen in overeenstemming met het arrest Tarakhel. In de verklaring verzoeken de Italiaanse autoriteiten de staatssecretaris voorts om hun minstens vijftien dagen van tevoren op de hoogte te brengen van de feitelijke overdracht van elk van die gezinnen, zodat zij kunnen communiceren in welke specifieke accommodatie het desbetreffende gezin zal worden opgevangen. Bij brief van 24 april 2015 heeft de staatssecretaris voormelde lijst, waarop de vreemdelingen inclusief het minderjarige kind zijn genoemd, overgelegd. Ervan uitgaande dat de staatssecretaris de Italiaanse autoriteiten minstens vijftien dagen van tevoren op de hoogte zal brengen van de feitelijke overdracht van de vreemdelingen, dat de Italiaanse autoriteiten vervolgens zullen communiceren in welke specifieke accommodatie de vreemdelingen zullen worden opgevangen en dat de staatssecretaris niet tot feitelijke overdracht zal overgaan zolang die informatie niet is verkregen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat overdracht van de vreemdelingen en hun minderjarige kind niet zal leiden tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juni 2014 in zaken nrs. 14/12003 en 14/12009;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 mei 2014, V-nummers [v-nummer 1] en [v-nummer 2];

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en

mr. E. Steendijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van

mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Verbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2015

574.