Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201502960/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 11 maart 2015 heeft de minister van Veiligheid en Justitie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502960/1/V2.

Datum uitspraak: 12 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) van 2 april 2015 in zaken nrs. 15/5129, 15/5131, 15/5130 en 15/5132 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarig kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 11 maart 2015 heeft de minister van Veiligheid en Justitie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 2 april 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2. De vreemdelingen hebben eerder, op 29 mei 2014, aanvragen ingediend om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Die aanvragen zijn bij onderscheiden besluiten van 15 augustus 2014 afgewezen. De besluiten van 11 maart 2015 zijn van gelijke strekking als die van 15 augustus 2014, zodat op de daartegen ingestelde beroepen voormeld beoordelingskader van toepassing is.

3. De staatssecretaris betoogt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet op voorhand is uitgesloten dat de omstandigheid dat thans - gelet op de presentatie van de vreemdelingen bij de Afghaanse ambassade en de daarbij getoonde taskera's - wordt uitgegaan van hun Afghaanse nationaliteit, kan afdoen aan de eerdere besluiten van 15 augustus 2014. Daarmee heeft de rechtbank niet onderkend dat deze omstandigheid geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid en evenmin rechtens relevant is, aldus de staatssecretaris.

3.1. Bij onderhavige aanvragen hebben de vreemdelingen taskera's overgelegd die door Bureau Documenten echt zijn bevonden. Dat thans - gelet op de presentatie bij de Afghaanse ambassade waarbij die taskera's zijn getoond - ervan wordt uitgegaan dat de vreemdelingen de Afghaanse nationaliteit hebben, levert geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op als hiervoor bedoeld. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, valt niet in te zien dat de vreemdelingen zich niet reeds in hun eerdere asielprocedure tot de Afghaanse vertegenwoordiging konden wenden ter verkrijging van taskera's dan wel ter vaststelling van hun nationaliteit. Daarbij is van belang dat in die eerdere procedure is gebleken dat de door de vreemdelingen aangevoerde asielmotieven daarvoor geen beletsel vormden.

3.2. Voorts betoogt de staatssecretaris terecht dat voormelde omstandigheid evenmin rechtens relevant is. Nog daargelaten de vraag of de vreemdelingen met de overgelegde taskera's thans hun Afghaanse nationaliteit hebben aangetoond, geeft het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten geen uitsluitsel over de inhoudelijke juistheid van de taskera's, terwijl de daarop vermelde persoonsgegevens niet overeenkomen met de door de vreemdelingen in Nederland opgegeven persoonsgegevens. Daar komt bij dat, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, de omstandigheid dat thans van de Afghaanse nationaliteit van de vreemdelingen wordt uitgegaan de in de eerdere asielprocedure ongeloofwaardig geachte verklaringen over hun gestelde herkomst uit Kabul en de daar ondervonden problemen onverlet laat. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

5. Uit het onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de authenticiteit van de door de vreemdelingen bij onderhavige aanvragen overgelegde huwelijksakte wegens het ontbreken van voldoende referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 8 oktober 2007 in zaak nr. 200704465/1 en 19 februari 2014 in zaak nr. 201306536/1/V1) is een door de desbetreffende vreemdeling overgelegd document geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, indien de authenticiteit daarvan niet is vastgesteld. Als, zoals in dit geval, de authenticiteit van een overgelegd document niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan, is het aan de vreemdeling dit in beroep uit eigen beweging alsnog aan te tonen. Nu de vreemdelingen dat, hoewel daartoe de gelegenheid bestond, niet hebben gedaan, is de huwelijksakte geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

6. Voorts hebben de vreemdelingen zich bij onderhavige aanvragen beroepen op het Besluit van 12 december 2014, nummer WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2014, nr. 36910). Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 april 2015 in zaak nr. 201501445/1/V2, houdt de hierin neergelegde integrale geloofwaardigheidsbeoordeling echter geen wijziging van het recht in.

7. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van de besluiten van 11 maart 2015, voor zover dat de afwijzing van de asielaanvragen betreft, geen plaats.

8. Ter betwisting van het door de staatssecretaris tegen hen uitgevaardigde inreisverbod hebben de vreemdelingen louter verwezen naar hetgeen zij tegen de afwijzing van de asielaanvragen hebben aangevoerd. Het aldus aangevoerde biedt, gelet op het vorenoverwogene, geen grond voor vernietiging van de besluiten in zoverre.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 april 2015 in zaken nrs. 15/5129 en 15/5131;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Klinkers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015

549.