Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201307756/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 11 februari 2013 heeft de vreemdeling op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting op 14 februari 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307756/1/V2.

Datum uitspraak: 12 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 1 augustus 2013 in zaak nr. 13/4881 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Op 11 februari 2013 heeft de vreemdeling op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting op 14 februari 2013.

Bij uitspraak van 12 februari 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank in zaak nr. 13/3965 het verzoek van de vreemdeling een voorlopige voorziening te treffen teneinde deze uitzetting te voorkomen, afgewezen.

Bij besluit van 14 februari 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.T. Gerbrandy, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de grief dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij betoogt hiertoe, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat zijn belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar door de staatssecretaris, en een toetsing van die beoordeling door de bestuursrechter, erin is gelegen dat dit kan leiden tot zijn terugkeer naar Nederland.

1.1. Bij besluit van 1 februari 2013 heeft de staatssecretaris het verblijfsrecht van de vreemdeling, van Bulgaarse nationaliteit, beëindigd en hem ongewenst verklaard. Met de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2014 in zaak nr. 201308434/1/V2 is dit besluit in rechte komen vast te staan. Ingevolge de artikelen 61, eerste lid, en 63, eerste lid, van de Vw 2000, is de bevoegdheid tot uitzetting van een vreemdeling een rechtsgevolg van rechtswege van beëindiging van een verblijfsrecht. Dit is niet anders bij beëindiging van een verblijfsrecht van een burger van de Unie.

1.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013 in zaak nr. 201103977/1/V1 volgt dat indien de vreemdelingenrechter in beroep, dan wel in hoger beroep hangende een dergelijke procedure nog geen uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van een besluit waaruit de bevoegdheid tot feitelijke uitzetting voortvloeit, er gelet op het doel van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 voor toepassing van die bepaling geen plaats is. De vreemdeling kan en moet daarom uit een oogpunt van concentratie van rechtsbescherming de rechtmatigheid van een voorgenomen feitelijke uitzetting aan de orde stellen in de procedure tegen dat besluit, door het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Indien hij toch bezwaar maakt tegen de feitelijke uitzetting, moet dat bezwaarschrift worden beschouwd als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de procedure tegen het besluit, waaruit de bevoegdheid tot feitelijke uitzetting voortvloeit, dan wel als een aanvulling op een reeds in die procedure gedaan verzoek. De staatssecretaris dient in dat geval het bezwaar door te zenden aan de voorzieningenrechter.

1.3. Op 11 februari 2013 heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting op 14 februari 2013. Omdat de vreemdeling op die datum ook bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 februari 2013, waaruit de bevoegdheid van de staatssecretaris tot uitzetting voortvloeit, en daarop nog niet onherroepelijk was beslist, stond tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting geen bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 open. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen moet het bezwaarschrift van 11 februari 2013 worden aangemerkt als een aanvulling op het door de vreemdeling reeds in de procedure tegen het besluit van 1 februari 2013 gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de voorgenomen feitelijke uitzetting te voorkomen. Er bestond voor de staatssecretaris derhalve geen grondslag om een besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank had daarom het door de vreemdeling tegen het besluit van 14 februari 2013 ingediende beroep gegrond moeten verklaren en dit besluit moeten vernietigen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 14 februari 2013 vernietigen. Gelet op hetgeen onder 1.3. is overwogen, dient geen nieuw besluit te worden genomen. Indien de vreemdeling terug naar Nederland geleid wenst te worden, dient hij een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 1 augustus 2013 in zaak nr. 13/4881;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 februari 2013, V-nummer [v-nummer];

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015

284/572-802.