Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1995

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201306899/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 21 februari 2012 heeft de vreemdeling op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Istanbul, Turkije, op 22 februari 2012.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306899/1/V2.

Datum uitspraak: 12 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 28 juni 2013 in zaak nr. 12/36188 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Op 21 februari 2012 heeft de vreemdeling op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Istanbul, Turkije, op 22 februari 2012.

Bij uitspraak van 21 februari 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Almelo in zaak nr. 12/6154 het verzoek van de vreemdeling een voorlopige voorziening te treffen om deze uitzetting te voorkomen, afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de staatssecretaris het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 juni 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Bastimar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 14 november 2012 in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling niet onderkend dat de staatssecretaris niet tot zijn uitzetting heeft mogen overgaan, omdat hij rechtmatig in Nederland verbleef.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 februari 2013 in zaak nr. 201103977/1/V1) is de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop de staatssecretaris van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van zodanig bezwaar mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2013 in zaak nr. 201202818/1/V2) moet een vreemdeling in dat geval nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten opzichte van hetgeen hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit, heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Is hetgeen een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45.

1.2. De gelijkstelling in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 van een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig aan een beschikking heeft uitsluitend tot doel een vreemdeling een rechtsingang tot de bestuursrechter te bieden om die handeling aan te vechten (zie in die zin reeds voormelde uitspraak van 21 februari 2013). Om te voorkomen dat voor de burgerlijke rechter grond zou kunnen bestaan om aanvullende rechtsbescherming te bieden, kan een vreemdeling aldus - onder omstandigheden - bezwaar maken tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting op een bepaalde datum en een bepaald tijdstip en kan de voorzieningenrechter zich vervolgens in het kader van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening uitlaten over de rechtmatigheid ervan. Een vreemdeling wiens uitzetting door de voorzieningenrechter rechtmatig is bevonden, kan in deze procedure echter niet ook onrechtmatigheden tijdens of na die uitzetting, waarmee de voorzieningenrechter geen rekening kon of behoorde te houden, aan de orde stellen. De genoemde beperkte strekking van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 en het stelsel van rechtsbescherming van de Awb en de Vw 2000 verzetten zich hiertegen. Hij kan deze onrechtmatigheden in andere procedures aan de orde te stellen.

1.3. Die vreemdeling kan bijvoorbeeld de staatssecretaris verzoeken hem terug naar Nederland te geleiden omdat de staatssecretaris volgens hem het refoulementverbod heeft geschonden. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2013 in zaak nr. 201302325/1/V4 dient een dergelijk verzoek te worden aangemerkt als een verzoek aan de staatssecretaris om terug te komen van het eerdere besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit. Ook kan die vreemdeling wegens gesteld onrechtmatig handelen of nalaten van de staatssecretaris tijdens of na de feitelijke uitzetting in een afzonderlijke procedure op basis van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 72a van de Vw 2000, verzoeken om vergoeding van de hierdoor geleden schade.

1.4. Als de voorzieningenrechter zich over de band van een gemaakt bezwaar en verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van een voorgenomen feitelijke uitzetting op een bepaalde datum en een bepaald tijdstip, wijkt de door de staatssecretaris in het besluit op dit bezwaar te verrichten beoordeling af van hetgeen gelet op artikel 7:11 van de Awb gebruikelijk is bij een heroverweging in bezwaar. De staatssecretaris mag namelijk wegens de aard en het object van deze procedure - het gaat over een bezwaar tegen een feitelijke handeling die op een bepaalde datum en een bepaald tijdstip plaatsvindt - bij zijn te nemen besluit op bezwaar geen argumenten of documenten betrekken waarmee een vreemdeling niet reeds in zijn bezwaar- of verzoekschrift heeft getracht zijn uitzetting te voorkomen. Evenmin mag hij, mede gelet op hetgeen onder 1.2. is overwogen, rekening houden met omstandigheden die zich tijdens of na de feitelijke uitzetting uit Nederland hebben voorgedaan. De staatssecretaris moet zich beperken tot een beoordeling van hetgeen een vreemdeling aan zijn bezwaar en verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ten grondslag heeft gelegd, de ter staving daarvan overgelegde bewijsmiddelen en hetgeen de voorzieningenrechter over de voorgenomen feitelijke uitzetting in dat licht heeft overwogen. De toetsing die de rechtbank moet verrichten in beroep dient aan te sluiten op de besluitvorming van de staatssecretaris.

1.5. De rechtbank heeft zich bij haar oordeel over het door de staatssecretaris ingenomen standpunt ten onrechte niet beperkt tot hetgeen de vreemdeling in zijn bezwaar- en verzoekschrift van 21 februari 2012 tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Istanbul, Turkije, op 22 februari 2012 om 10:30 uur heeft aangevoerd. Dit laat evenwel onverlet dat zij terecht tot de conclusie is gekomen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van zijn uitzetting niet langer van de rechtmatigheid hiervan kon worden uitgegaan. De vreemdeling heeft in zijn bezwaar- en verzoekschrift van 21 februari 2012 immers geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld onder 1.1. aangevoerd. De door de vreemdeling bij nader stuk overgelegde informatie kan, reeds omdat de vreemdeling deze informatie niet aan voormeld bezwaar- en verzoekschrift ten grondslag heeft gelegd, niet bij de beoordeling worden betrokken. De uitspraak van de rechtbank moet gelet op het vorenstaande met verbetering van gronden worden bevestigd.

1.6. De grieven falen.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015

572/284-802.