Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201503694/1/A3 en 201503694/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een voorrangsverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503694/1/A3 en 201503694/2/A3.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 26 maart 2015 in zaken nrs. 15/1318 en 15/1301 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een voorrangsverklaring afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, en G. Günes, tolk, en het college, vertegenwoordigd door R. Vingerling, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Regionale Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 2012 (hierna: de Huisvestingsverordening) verleent het college, voor zover woningzoekenden zelf een daartoe strekkend verzoek indienen, een voor het gehele stadsgewest geldende voorrangsverklaring aan woningzoekenden die buiten eigen schuld en toedoen in een dusdanige situatie verkeren dat zij binnen drie maanden andere woonruimte behoeven, naar verwachting bij toepassing van de in artikel 22, eerste en tweede lid, bedoelde volgordecriteria niet binnen die termijn andere woonruimte zullen krijgen en hun betreffende situatie niet op een andere wijze kunnen oplossen.

Ingevolge het vijfde lid kan het dagelijks bestuur uitvoeringsregels vaststellen voor het verlenen van een voorrangsverklaring aan woningzoekenden door het college.

Volgens paragraaf 2.5 van de Uitvoeringsregels voorrangsbepaling stadsgewest Haaglanden 2014 wordt een voorrangsverklaring verleend indien de verwachting is dat de woningzoekende niet in staat is om binnen drie maanden andere (passende) woonruimte te krijgen. Het weigeren van passende woningen dan wel het niet reageren op het beschikbaar gekomen woningaanbod in de periode vanaf het ontstaan van de woonproblemen tot het moment van aanvragen van de voorrangspositie en de periode van de behandeling van de aanvragen zal de Toetsingscommissie bij haar oordeel betrekken.

3. [appellant] woont samen met zijn echtgenote en twee jonge kinderen in een portiekwoning aan de [locatie 1] te Den Haag, die alleen met trappen bereikbaar is. Hij heeft op 2 juni 2014 een aanvraag om een voorrangsverklaring gedaan in verband met de gezondheidssituatie van zijn echtgenote. Ten behoeve van de beoordeling van deze aanvraag is advies gevraagd aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Haaglanden. In het advies, gedateerd op 30 juni 2014, is geconcludeerd dat zich in dit geval een levensbedreigende en levensontwrichtende situatie voordoet en is een woning geadviseerd die traploos of met een lift te bereiken is. Het college heeft de aanvraag evenwel afgewezen omdat [appellant] gedurende de behandeling van de aanvraag een passende woning aan de [locatie 2] te Delft heeft afgewezen. In het besluit van 16 januari 2015 heeft het college voorts aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat [appellant], nu hij al 6,5 jaar is ingeschreven, ook langs de reguliere weg in aanmerking kan komen voor een passende woning.

4. De rechtbank heeft het besluit van 16 januari 2015 vernietigd, omdat het mede is gebaseerd op een advies van 15 december 2014 van een arts Maatschappij en Gezondheid, waarover [appellant] zich niet heeft kunnen uitlaten. De rechtbank heeft evenwel bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft zij overwogen dat uit het advies van 15 december 2014 volgt dat er geen medische noodzaak is voor wonen in Den Haag en dat niet aannemelijk is dat de mantelzorg niet in Delft zou kunnen worden geleverd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de woning in Delft daarom een passende woning was geweest en dat het weigeren van deze woning verwijtbaar is. Gelet hierop heeft het college zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet buiten eigen schuld om in de huidige woonsituatie verkeert. De rechtbank heeft voorts nog overwogen dat het college geen aanleiding hoefde te zien voor toepassing van de hardheidsclausule, aangezien [appellant] niet adequaat op het woningaanbod heeft gereageerd.

5. [appellant] richt zich in hoger beroep tegen het onderdeel van de uitspraak, waarbij de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de woning in Delft een passende woning was geweest, aangezien deze woning te ver ligt van het sociale netwerk van zijn gezin in Den Haag. Ter ondersteuning van dit betoog heeft hij een overzicht van de werkzaamheden van leden van dit sociale netwerk overgelegd, alsmede verklaringen van de huisarts van zijn echtgenote, haar geestelijk gezondheidsverzorger en haar medisch specialisten. De rechtbank heeft volgens [appellant] in dit verband ten onrechte gewicht toegekend aan het advies van 15 december 2014, nu dit advies slechts betrekking heeft op de medische noodzaak om in Den Haag te blijven wonen en niet tevens op de sociale noodzaak. [appellant] betoogt dat hem niet kan worden verweten dat hij de woning in Delft heeft geweigerd, omdat zijn aanvraag alleen zag op de regio Den Haag. Verder betoogt hij dat de rechtbank de gevolgen van de afwijzing ten onrechte niet onevenredig heeft geacht. Daartoe voert hij aan dat hij geen misbruik van de voorrangsregeling heeft gemaakt en dat de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte niet in het gedrang komt.

6. Anders dan de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheid dat [appellant] gedurende de behandeling van de aanvraag, in juli 2014, één passende woning zou hebben geweigerd, niet langer aan hem kan worden tegengeworpen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat die weigering verband hield met een onjuiste veronderstelling over het systeem van woningtoewijzing die bij [appellant] leefde. Dit leidt gelet op het navolgende evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, maar tot verbetering van de gronden ervan.

6.1. In het advies van 15 december 2014 is geconcludeerd dat voor de echtgenote van de heer [appellant] geen medische noodzaak bestaat om in Den Haag te blijven wonen. Nu het aan het advies ten grondslag gelegde onderzoek enkel betrekking heeft op medische aspecten, heeft het college in de omstandigheid dat in het advies geen aandacht is besteed aan sociale aspecten, terecht geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de conclusie over de medische noodzaak te twijfelen. Het college heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een sociale noodzaak bestaat om in Den Haag te blijven wonen. In de door hem overgelegde verklaringen van de huisarts en de medisch specialisten is slechts ingegaan op de noodzakelijkheid van een woning die traploos of met lift te bereiken is. Op de plaats van de woning hebben de verklaringen geen betrekking. Uit het door [appellant] overgelegde overzicht volgt op welke manier leden van het sociale netwerk het gezin ondersteunen. [appellant] heeft hiermee niet aangetoond dat het onmogelijk is om in noodzakelijke mantelzorg te voorzien wanneer deze niet in Den Haag, maar elders in het stadsgewest Haaglanden, bijvoorbeeld in Zoetermeer of Delft, zou moeten worden verleend. De verklaring van de geestelijk gezondheidsverzorger van zijn echtgenote is daarvoor op zichzelf beschouwd onvoldoende.

6.2. Ter zitting is vast komen te staan dat [appellant] elders in het stadsgewest Haaglanden op korte termijn langs de reguliere weg in aanmerking kan komen voor een woning op de begane grond of met lift. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, heeft het college een dergelijke woning aan kunnen merken als een passende woning voor [appellant] en zijn gezin. Het college heeft de aanvraag van [appellant] derhalve terecht op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Huisvestingsverordening afgewezen.

7. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aangezien de rechtbank het besluit van 1 augustus 2014 niet heeft herroepen, bestond voor de rechtbank geen aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Borman w.g. Binnema

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

589.