Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201409646/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het algemeen bestuur aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Suitsupply B.V. medegedeeld dat haar een vergunning van rechtswege is verleend voor het bouwen van een tuinhuis in het achtererfgebied op de adressen Willemsparkweg 39-41 te Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6989
JOM 2016/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409646/1/A1.

Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2014 in zaak nr. 14/1614 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, thans: het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid (hierna: het algemeen bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het algemeen bestuur aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Suitsupply B.V. medegedeeld dat haar een vergunning van rechtswege is verleend voor het bouwen van een tuinhuis in het achtererfgebied op de adressen Willemsparkweg 39-41 te Amsterdam.

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het algemeen bestuur dat besluit naar aanleiding van het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gehandhaafd.

Bij uitspraak van 30 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Suitsupply een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2015, waar [appellant], vergezeld van drs. mr. H. Philipse, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Visser-Homoet, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Suitsupply, vertegenwoordigd door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de realisering van een gebouw in het achtererfgebied van het perceel. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebouw is voorzien binnen het bouwvlak op het achtererf van het perceel.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Museumkwartier en Valeriusbuurt" heeft het perceel de bestemming "Gemengd-2".

Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor "Gemengd-2" aangewezen gronden bestemd voor: (..)

d. detailhandel, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder; (..)

r. tuinen; (..).

Ingevolge artikel 6.2, onder 6.2.1, mag op en onder de in het eerste lid genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen slechts zijn toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.

Ingevolge artikel 6.4, onder 6.4.5, onderdeel b, geldt voor bijgebouwen: ondergeschikt aan en ten dienste van het gebruik van de functie van het hoofdgebouw.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het voorziene gebruik van het bijgebouw niet ondergeschikt is aan de verkoopfunctie van het hoofdgebouw, zodat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201011739/1/H1 en de uitspraak van 31 december 2014 in zaak nr. 201403196/1/A1), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het hoofdgebouw op het perceel door Suitsupply voor detailhandel wordt gebruikt. De Afdeling volgt het standpunt van het algemeen bestuur dat het voorziene gebruik van het gebouw als naaiatelier ten dienste is van het gebruik van het hoofdgebouw voor detailhandel, zodat het bouwplan in zoverre niet in strijd is met het bepaalde in artikel 6.4, onder 6.4.5, onderdeel b, van de planregels. Daarbij betrekt de Afdeling de door Suitsupply ter zitting van de rechtbank gegeven toelichting dat in de in het hoofdgebouw gevestigde winkel herenpakken worden verkocht die desgewenst op maat vermaakt kunnen worden. Voorts wordt daarbij betrokken dat de herenpakken ten tijde van het besluit op bezwaar in het hoofdgebouw werden vermaakt.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht het standpunt van het algemeen bestuur heeft gevolgd dat het voorziene gebruik van het gebouw ondergeschikt is aan het gebruik van het hoofdgebouw voor detailhandel. Daarbij betrekt de Afdeling de onweersproken stelling van Suitsupply dat in het naaiatelier geen kledingverkoop zal plaatsvinden en dat de openingstijden van het voorziene naaiatelier afhankelijk zijn van de openingstijden van de winkel. Daarbij wordt verder betrokken dat de vermaakservice zowel in vloeroppervlak, aantal personeelsleden en als aandeel van de totale omzet ondergeschikt is aan de verkoop van herenkleding. In dat verband heeft Suitsupply toegelicht dat de naaikosten gemiddeld ongeveer 5% van de facturen bedragen, dat de verhouding in omzet en tijd 99% verkoop is en 1% vermaakservice. Verder heeft zij gesteld dat er in de winkel tien verkopers werkzaam zijn en twee kleermakers. In de ruimtelijke uitstraling van het voorziene gebouw ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het voorziene gebruik van het gebouw niet ondergeschikt is aan dat van het hoofdgebouw.

Over het betoog van [appellant] dat het voorziene gebouw functioneel niet aan het hoofdgebouw ondergeschikt is als bedoeld in artikel 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), wordt, wat daar ook van zij, overwogen dat in dit geval niet artikel 2 van bijlage II bij het Bor het toetsingskader is maar het bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het algemeen bestuur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het voorziene gebruik van het gebouw in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Tussen partijen is niet in geding dat het bouwplan voor het overige in het bestemmingsplan past.

3.3. Indien een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen niet in strijd is met het bestemmingsplan, geldt ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo een beslistermijn van acht weken. Het algemeen bestuur heeft niet binnen die termijn een besluit genomen op de aanvraag van Suitsupply en heeft de beslistermijn evenmin verlengd overeenkomstig artikel 3.9, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 3.9, derde lid, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het algemeen bestuur Suitsupply bij besluit van 24 oktober 2013 terecht medegedeeld dat de aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen, heeft het algemeen bestuur dat besluit terecht in bezwaar gehandhaafd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

672.