Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201408163/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2014 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een tijdelijk huisverbod van tien dagen opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408163/1/A3.

Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 augustus 2014 in zaak nr. 14-2520 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te 's-Hertogenbosch

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2014 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een tijdelijk huisverbod van tien dagen opgelegd.

Bij uitspraak van 22 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2015, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.B.A.M. Gerritse, werkzaam bij de gemeente en F.J.M. Merkx, werkzaam bij de politie Oost-Brabant, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth), wordt onder huisverbod verstaan een beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

2. De burgemeester heeft aan het besluit van 4 mei 2014 ten grondslag gelegd een door een Hulpofficier van Justitie (hierna: HOvJ) ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) en een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de HOvJ van 4 mei 2014. Uit het RiHG en het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid althans dat hij daartoe in redelijkheid een ernstig vermoeden kon hebben, aldus de burgemeester.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich een situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth heeft voorgedaan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het besluit van 4 mei 2014 vermeld staat dat [wederpartij] zijn huissleutels al heeft achtergelaten bij zijn partner met de intentie haar rust te gunnen. De burgemeester heeft in het besluit onvoldoende gemotiveerd waarom het in dat geval noodzakelijk was een huisverbod op te leggen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het besluit een beschrijving van de concrete aanleiding voor het opleggen van het huisverbod ontbreekt. Ook zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat aan [wederpartij] een huisverbod wordt opgelegd. Op grond hiervan heeft de rechtbank het besluit van 4 mei 2014 vernietigd.

4. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. Hij voert daartoe aan dat het besluit van 4 mei 2014 wel degelijk van een voldoende motivering is voorzien nu daaraan het RiHG en het proces-verbaal van bevindingen van de HOvJ van 4 mei 2014 ten grondslag zijn gelegd. In het RiHG is door de HOvJ vermeld welke signalen omtrent huiselijk geweld bij haar bekend waren en welke risico’s daaruit voortvloeien. Gelet op deze informatie heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning wel degelijk een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid althans dat hij daartoe in redelijkheid een ernstig vermoeden kon hebben, aldus de burgemeester.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201311543/1/A3), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst.

4.2. In het besluit van 4 mei 2014, het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van die datum en het RiHG wordt onder het kopje "Verloop van het geweldsincident" onder meer vermeld dat [wederpartij] volgens zijn partner en haar twaalfjarige zoon steeds zowel fysiek als verbaal gewelddadig is geweest in de relatie en dat dit geweld de laatste maanden toeneemt. Zij vrezen toekomstig geweld, temeer nu zijn partner aangifte tegen hem heeft gedaan. Wat de aard was van het geweldsincident in de nacht van 3 op 4 mei 2014 en hoe dit is verlopen, vermelden deze overgelegde stukken echter niet. Wel blijkt daaruit dat [wederpartij] na het door zijn partner gemelde incident de woning onder achterlating van de huissleutels heeft verlaten en niet aanwezig was toen de HOvJ daar later op de dag van 4 mei arriveerde. Gelet op het ontbreken van een omschrijving van het geweldsincident dat aanleiding was voor het opleggen van het huisverbod en de omstandigheid dat [wederpartij] de woning na het incident met achterlating van de huissleutels heeft verlaten, en in aanmerking genomen dat de verklaringen van zijn partner en haar zoon en de verder in de drie genoemde stukken opgenomen feiten en omstandigheden zien op gebeurtenissen van vóór het incident of betrekking hebben op in de toekomst gevreesd geweld, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich een situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth, heeft voorgedaan, te weten dat uit feiten of omstandigheden blijkt dat de aanwezigheid in de woning van [wederpartij] ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van zijn partner of op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Met name is niet gebleken van onmiddellijk gevaar, nu onduidelijk is hoe het geweldsincident is verlopen, terwijl [wederpartij] de woning had verlaten. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

43-818.