Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1960

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201409416/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan Haven en Bedrijventerreinen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/552
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409416/1/R1.

Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Huizen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan Haven en Bedrijventerreinen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam, en [huurder], huurder van bedrijfsruimtes van [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door H.J. Brasser, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Ter zitting heeft [appellant] het beroep ingetrokken voor zover het betreft het plandeel aan de [locatie A].

3. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet alle in zijn panden aan de [locatie B] en [locatie C] tot en met [locatie D] en aan de [locatie E] tot en met [locatie F] gevestigde bestaande bedrijven als zodanig zijn bestemd.

3.1. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Haven en Bedrijventerreinen" van 25 april 2013 waren voormelde gronden voorzien van de bestemming "Gemengd - 1".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels waren de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor culturele, sport- en recreatieve voorzieningen uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'Cultuur, Sport en Recreatie’.

Ingevolge lid 8.1, aanhef en onder f, waren de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voor zover deze aanwezig waren ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan en opgenomen zijn in bijlage 2 "Overzicht bestaande bedrijven binnen Gemengd - 1" danwel naar aard en invloed gelijk te stellen bedrijven.

3.2. Bij uitspraak van 9 april 2014 (in zaak nr. 201305620/1/R3) heeft de Afdeling onder 7.3 vastgesteld dat niet alle ter plaatse aanwezige bedrijven als zodanig in het 'Overzicht bestaande bedrijven binnen Gemengd - 1' waren genoemd. Voorts was op basis van de planregels onzeker welke bedrijven naar aard en invloed gelijk te stellen waren aan de in het overzicht genoemde bedrijven, en derhalve als zodanig waren bestemd. Het criterium dat een bedrijf naar aard en invloed gelijk te stellen moet zijn, diende nader te worden geobjectiveerd. Nu in voornoemd overzicht alleen de namen en adressen van bedrijven stonden genoemd, was dit criterium onvoldoende geobjectiveerd. In dit verband was van belang dat in het 'Overzicht bestaande bedrijven binnen Gemengd - 1' geen maximale kavelomvang stond genoemd en dat het overzicht niet was toegesneden op een beperkt aantal categorieën bedrijven. Gelet hierop heeft de Afdeling het plan in zoverre rechtsonzeker geoordeeld, vernietigd voor zover het betreft artikel 8, lid 8.1, onder f, van de planregels en vernietigd voor zover niet alle bedrijven die ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit waren gevestigd op de percelen aan de [locatie B] en [locatie C] tot en met [locatie G] en aan de [locatie E] tot en met [locatie F] als zodanig waren bestemd.

3.3. Het thans voorliggende plan voorziet voor voormelde gronden in de bestemming "Gemengd - 1" en gedeeltelijk in de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2". Artikel 9 van de planregels luidt als volgt:

"Het bepaalde in het bestemmingsplan Haven en Bedrijventerreinen is van overeenkomstige toepassing op de gronden met de bestemming Gemengd - 1.

Dit plan vernummert dit artikel van artikel 8 naar artikel 9, daarmee inbegrepen de in dit artikel voorkomende verwijzingen. Inhoudelijk wijzigt dit artikel in het bestemmingplan Haven en Bedrijventerreinen als volgt:

I. Artikel 9, lid 9.1, onder f, komt als volgt te luiden:

'ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2":

1. bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';

2. bedrijfsactiviteiten uit een hogere milieucategorie, maximaal categorie 3.1, uitsluitend voor gevestigde, bestaande bedrijven die aanwezig zijn ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan.'

II. Bijlage 2 komt te vervallen, overige bijlagen worden naar aanleiding hiervan vernummerd."

3.4. In de panden van [appellant] zijn meerdere bedrijven gevestigd waaronder een van ongeveer 400 m2 waar machinaal meubels worden gemaakt. Volgens [appellant] dient dit bedrijf in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' te worden aangemerkt als een meubelfabriek met SBI-code 361.1 uit categorie 3.2. Voorts is in de panden van [appellant] een bedrijf gevestigd dat reparaties uitvoert aan onder meer kunststof bootmotoren. Volgens [appellant] dient dit bedrijf in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' te worden aangemerkt als een scheepsbouw- en reparatiebedrijf met SBI-code 351.2 of 351.3 uit categorie 3.2 onderscheidenlijk 4.1. Gelet op artikel 9, onder I, aanhef en onder 2, van de planregels zijn bestaande bedrijven boven categorie 3.1 evenwel niet toegestaan.

3.5. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de bestaande bedrijven kunnen worden aangemerkt als bedrijven tot en met categorie 3.1, nu het gaat om relatief kleinschalige bedrijfsunits van 100 tot 400 m2 met weinig intensieve bedrijfsactiviteiten. Volgens de raad vallen de bestaande bedrijven gelet op de geringe omvang en milieubelasting dan ook niet onder de door [appellant] genoemde bedrijfsomschrijvingen. Zo is geen sprake van een meubelfabriek en een scheepsbouw- en reparatiebedrijf omdat deze bedrijven naar aard en invloed gelijk te stellen zijn met bedrijven uit categorie 1 tot en met 3.1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'. Volgens de raad is de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' niet limitatief en kan voor de toelaatbaarheid van een relatief klein bedrijf met geringe milieugevolgen worden aangesloten bij een andere bedrijfsomschrijving met een lagere categorie.

3.6. De Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' is opgesteld aan de hand van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering", editie 2009, van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (hierna: VNG-brochure). In paragraaf 5.2 en bijlage 5 van de VNG-brochure staat dat indien een concreet bedrijf gelet op de Staat van Bedrijfsactiviteiten een hogere categorie heeft dan binnen het bestemmingsplan is toegestaan, dient te worden nagegaan of het bedrijf op basis van de daadwerkelijke hinder gelijk kan worden gesteld met een bedrijf met een lagere, wel toelaatbare milieucategorie. Zo ja, dan is het bedrijf echter pas toegestaan nadat het plan is herzien of toepassing is gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan voor een bedrijf of een activiteit uit een hogere milieucategorie ontheffing kan worden verleend indien de concreet voorgenomen activiteit qua aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met de activiteiten die wel zijn toegestaan.

3.7. Uit het hiervoor overwogene volgt, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de VNG-brochure limitatief is bedoeld. Voorts voorziet artikel 9 van de planregels niet in andere typen bedrijven dan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerreinen' zijn vermeld. Gelet hierop, en nu niet gebleken is dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein’ voor de hiervoor genoemde bedrijven een bedrijfsomschrijving bevat met een categorie van maximaal 3.1, voorziet het plan onbedoeld niet in alle in de panden van [appellant] gevestigde bedrijven. De raad heeft dit niet onderkend, zodat het plan in zoverre onzorgvuldig is vastgesteld. Het betoog slaagt.

4. [appellant] betoogt dat de mogelijkheden voor nieuwvestiging van bedrijven ten onrechte beperkt is tot categorie 2. In dit verband vreest hij voor verminderde verhuurbaarheid en waardedaling.

4.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

In dit geval acht de raad het wenselijk om de milieucategorie voor nieuwe bedrijven en uitbreidingen tot categorie 2 te beperken vanwege de beleidsdoelstelling om het plangebied steeds meer te transformeren tot een levendig en aantrekkelijk woongebied. De Afdeling acht deze beleidsdoelstelling niet onredelijk. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de afweging van de bij het besluit betrokken belangen hier niet in redelijkheid een groter gewicht aan heeft kunnen toekennen dan aan de mogelijkheid voor [appellant] om nieuwe bedrijven met een hogere categorie toe te laten. Het betoog faalt.

4.2. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde en verhuurbaarheid van de eigendommen van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die invloed zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

4.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover niet is voorzien in alle aan de [locatie B] en [locatie C] tot en met [locatie D] en aan de [locatie E] tot en met [locatie F] gevestigde bedrijven. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5. Nu de raad heeft beoogd om de bestaande bedrijven als zodanig te voorzien, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat artikel 9, onder I, betreffende artikel 9, lid 9.1, onder f, van de planregels als volgt komt te luiden:

'ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2":

1. bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';

2. bedrijfsactiviteiten uit een hogere milieucategorie, maximaal categorie 3.1, uitsluitend voor gevestigde, bestaande bedrijven die aanwezig zijn ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan;

3. gevestigde, bestaande bedrijven die aanwezig zijn ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, en die niet onder 2 vallen.'

De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit punt in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Niet aannemelijk is dat derde belanghebbenden in hun belangen worden geschaad, nu daarmee louter bestaande rechten als zodanig worden bestemd.

6. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

7. De raad dient ten aanzien van [appellant] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Huizen van 29 september 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan Haven en Bedrijventerreinen" voor zover niet is voorzien in alle aan de [locatie B] en [locatie C] tot en met [locatie D] en aan de [locatie E] tot en met [locatie F] gevestigde bedrijven;

III. bepaalt dat artikel 9, onder I, betreffende artikel 9, lid 9.1, onder f, van de planregels als volgt komt te luiden:

'ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2":

1. bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';

2. bedrijfsactiviteiten uit een hogere milieucategorie, maximaal categorie 3.1, uitsluitend voor gevestigde, bestaande bedrijven die aanwezig zijn ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan;

3. gevestigde, bestaande bedrijven die aanwezig zijn ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, en die niet onder 2 vallen.';

IV. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder III. genoemde in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit van 29 september 2014;

V. draagt de raad van de gemeente Huizen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Huizen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Huizen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Hupkes

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

635.