Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201410564/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpskern Strijen 2014" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410564/1/R4.

Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Strijen,

en

de raad van de gemeente Strijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpskern Strijen 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door L. Bos en A.H. Rotscheid - Terhaak, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het plan is beoogd een actuele juridisch-planologische regeling te bieden voor de dorpskern van Strijen.

3. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie1] en [locatie 2] te Strijen (hierna: het perceel). Op dit perceel bevindt zich één pand, opgesplitst in een woongedeelte, [locatie 1], waar [appellant] woont, en een ruimte waar [appellant] een werkplaats heeft, [locatie 2]. Aan het perceel van [appellant] is blijkens de verbeelding de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend, met voorts de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", de bouwaanduiding "twee-aaneen", en de gebiedsaanduiding "wetgevingzone - afwijkingsgebied 1".

4. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover betrekking hebbend op zijn perceel. [appellant] betoogt dat aan het deel van het perceel waar zijn werkplaats is gesitueerd ten onrechte geen bedrijfsbestemming is toegekend. [appellant] wijst erop dat op dit deel in het vorige bestemmingsplan een bedrijfsbestemming rustte waar een smederij mocht worden gevestigd en dat deze bedrijfsbestemming activiteiten toeliet tot milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. [appellant] wil dat het plan opnieuw bedrijfsactiviteiten toelaat. Hij wijst erop dat hij in zijn werkplaats moderne gereedschappen en machines heeft en hij daar sleutelt aan meerdere voertuigen en soms werkzaamheden verricht voor anderen. Volgens [appellant] is door de raad niet onderzocht of deze activiteiten passen binnen de bestemming "Wonen". Hij stelt dan ook dat de raad de feitelijke situatie niet als zodanig heeft bestemd. Ten slotte wenst [appellant] een detailhandelsbestemming te behouden op zijn perceel, omdat meerdere bestemmingen aantrekkelijk zijn ten behoeve van een eventuele verkoop van zijn perceel.

4.1. De raad stelt dat met de bestemming "Wonen" het bestaande gebruik als zodanig is bestemd.

4.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef, en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het wonen al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet zijnde detailhandel en horeca;

Ingevolge lid 19.4.2 wordt onder de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in samenhang met het wonen, verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover:

a. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

b. ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien;

c. de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge artikel 1, lid 1.38, wordt onder kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten verstaan: het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), en voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en voor zover deze activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.

4.3. In de plantoelichting is vermeld dat door de raad op 30 augustus 2011 de Centrumvisie ‘Uitwerking Kerkstraat en omgeving’ (hierna: de Centrumvisie) is vastgesteld. Deze uitwerking ziet op het verkleinen van het huidige kernwinkelgebied (de Kerkstraat en de Boompjesstraat), waardoor een compacter en levendiger winkelcluster ontstaat, met De Kaai als kloppend dorpshart. Om dit te bereiken zal voor een deel van het centrumgebied het accent naar wonen verschuiven. Dit geldt onder meer voor het gedeelte van de Boompjesstraat vanaf het Spui. Aan dit gedeelte van de Boompjesstraat bevindt zich het perceel.

Verder is in de plantoelichting voor het adres [locatie 1] en [locatie 2] vermeld dat, in tegenstelling tot het algemene uitgangspunt dat voorgaande vigerende rechten in het plan worden gehandhaafd, op dit perceel de vigerende bestemmingen niet langer gewenst zijn, omdat een bedrijfsbestemming niet wenselijk is in een bestaand en uit te werken woongebied.

4.4. Niet in geschil is dat het vorige bestemmingsplan uitsluitend een smederij toestond ter plaatse van de werkplaats van [appellant]. Ook is niet in geschil dat de activiteiten van [appellant] thans hobbymatig zijn. Het betoog van [appellant] is erop gericht dat in het plan ter plaatse van zijn werkplaats opnieuw een detailhandelsbestemming en een bedrijfsbestemming worden opgenomen. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. De raad heeft in overeenstemming met het hiervoor verwoorde gemeentelijk beleid, dat is neergelegd in de Centrumvisie, aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. [appellant] heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan de concrete toepassing van dit beleid in dit geval onredelijk is te achten. Evenmin is op het perceel een winkel gevestigd, op grond waarvan een detailhandelsbestemming zou moeten worden toegekend. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat hij een bedrijfsbestemming op zijn perceel wenst te behouden, overweegt de Afdeling dat op het perceel geen smederij meer is gevestigd, zodat geen aanleiding bestaat de bedrijfsbestemming zoals die gold in het vorige bestemmingsplan te handhaven. Bovendien is niet gebleken van concrete plannen voor bedrijfsmatige activiteiten waarmee de raad ten tijde van het bestreden besluit rekening had moeten houden. De raad heeft daarnaast ter zitting toegelicht dat de hobbymatige activiteiten van [appellant] zich verdragen met de woonbestemming. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Wonen" aan het gehele perceel van [appellant] kunnen toekennen. Het betoog faalt.

5. [appellant] voert aan dat de verbeelding in samenhang met de planregeling voor de bestemming "Wonen" voor zijn perceel onduidelijk is. Hij voert aan dat niet is aangegeven hoeveel woningen per bouwvlak of perceel mogen worden gebouwd. Hierdoor is volgens hem onduidelijk of de werkplaats op zijn perceel als zelfstandige woning is bestemd of als een bijgebouw bij zijn woning. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met de binnen de bestemming "Wonen" opgenomen afwijkingsbevoegheid om een extra woning te mogen realiseren. [appellant] wil dat het realiseren van een extra woning op zijn perceel bij recht wordt toegestaan of dat hiervoor een afwijkingsbevoegdheid wordt opgenomen zonder nadere voorwaarden. Daarbij wijst hij erop dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan een oordeel moet geven over de aanvaardbaarheid van de woning ter plaatse.

5.1. De raad stelt dat niet per perceel maar per bouwvlak het maximum aantal woningen wordt aangeduid. De raad stelt verder dat het toevoegen van een extra woning nu niet aan de orde is. Met de afwijkingsbevoegdheid kan op een later moment worden bezien of het realiseren van een extra woning voldoet aan de dan geldende wet- en regelgeving en beleidsontwikkelingen, aldus de raad.

5.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.2.1, van de planregels, mag op de gronden met de bestemming "Wonen" worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. woningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b. de gezamenlijke oppervlakte van woningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 60% van het perceel met een maximum van 250 m²;

c. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder b mag de gezamenlijke oppervlakte van woningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bij vrijstaande woningen ten hoogste 40% bedragen;

[…].

Ingevolge lid 19.2.2, onder a, mag het aantal woningen binnen een bouwvlak niet meer bedragen dan met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangegeven; indien geen aanduiding is opgenomen dan geldt het bestaande aantal woningen, zoals op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is toegestaan, als maximum.

Ingevolge lid 19.3.1 kan het bevoegd gezag ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingzone - afwijkingsgebied 1’ bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2.2 onder a teneinde het bestaande aantal woningen te vergroten, onder de voorwaarden dat:

a. het toevoegen van woningen niet in strijd is met het gemeentelijke, regionale en/of provinciale woningbouwprogramma;

b. de belangen van in de omgeving aanwezige functies niet onevenredig worden aangetast;

c. het toevoegen van woningen vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;

d. het toevoegen van woningen vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is;

e. voor zover het betreft het afwijkingsgebied ter plaatse van de adressen [locatie1]/[locatie 2], ten hoogste één woning mag worden toegevoegd.

Ingevolge artikel 29, lid 29.2, geldt voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel de Woningwet op tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, dat:

1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden;

2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden.

5.3. De percelen [locatie 3] tot en met [locatie 4], waar het perceel van [appellant] onderdeel van is, hebben de aanduiding "bouwvlak". De situering van dit bouwvlak is op de verbeelding weergegeven. Ter plaatse van dit bouwvlak is aangegeven dat maximaal zes wooneenheden binnen dit bouwvlak zijn toegestaan. Voorts is in de planregeling bepaald dat woningen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd. Het perceel van [appellant] heeft daarnaast als enige perceel binnen dit bouwvlak de gebiedsaanduiding "wetgevingzone - afwijkingsgebied 1". Gelet op de tekst van artikel 19, lid 19.3.1, aanhef onder a en onder e, van de planregels, kan hierdoor alleen op het perceel van [appellant] bij omgevingsvergunning één extra woning bovenop het maximum van zes wooneenheden binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat onduidelijk is of de werkplaats als zelfstandige woning is bestemd of als bijgebouw bij de woning, heeft de raad ter zitting toegelicht dat vanuit architectonisch en functioneel oogpunt de werkplaats als bijgebouw bij de woning moet worden aangemerkt. Voor zover niet zou worden voldaan aan de bouwregels heeft de raad erop gewezen dat de maatvoering van bestaande bebouwing wordt beschermd door artikel 29 van de planregels. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verbeelding in samenhang met de planregeling voor de bestemming "Wonen" onduidelijk is.

Over het betoog van [appellant] dat ter plaatse van zijn perceel een rechtstreekse mogelijkheid tot het oprichten van een extra woning had moeten worden toegekend, overweegt de Afdeling het volgende. In de nota van zienswijzen is door de raad vermeld dat het toestaan van extra woningen bij recht niet wenselijk is, omdat dit op milieutechnische bezwaren kan stuiten. Ook moet in een dergelijk geval worden gekeken naar onder andere verkeersontsluiting en parkeren. De raad wil daarom bij het oprichten van een extra woning de voorgaande punten kunnen toetsen en een afweging kunnen maken. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat het oprichten van een extra woning reeds afstuit op de voorwaarde onder artikel 19, lid 19.3.1, onder a, omdat restrictief provinciaal, regionaal dan wel gemeentelijk woningbouwbeleid dit niet zou toestaan, heeft de raad ter zitting verklaard dat dit beleid niet in de weg staat aan de mogelijkheid voor het oprichten van één extra woning op het perceel en dat het gemeentebestuur in beginsel positief staat tegenover het toevoegen van een woning op deze locatie. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het door [appellant] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de afwijkingsbevoegdheid niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen. Het betoog faalt.

6. [appellant] voert aan dat hij schade lijdt door het toekennen van de bestemming "Wonen" aan zijn perceel. Deze schade wordt volgens hem onder meer veroorzaakt door het wegvallen van de voorheen geldende bedrijfsbestemming en detailhandelsbestemming op zijn perceel.

6.1. Voor zover [appellant] vreest voor planschade als gevolg van het plan overweegt de Afdeling dat de raad in dit verband terecht heeft gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1 van de Wro een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade in te dienen. Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, griffier.

w.g. Helder w.g. Klein Nulent

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

472-817.