Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
201408613/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft de besliscommissie aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 22.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2007.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2015/188
JOM 2015/558
OGR-Updates.nl 2015-0165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408613/1/A2.

Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2014 in zaak nr. 14/144 in het geding tussen:

[appellant]

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft de besliscommissie aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 22.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2007.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de besliscommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De besliscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2015, waar [appellant] en de besliscommissie, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, haar voorzitter, vergezeld door mr. O.M. te Rijdt, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Op 29 juni en 28 november 1995 hebben onderscheidenlijk de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal ingestemd met de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (hierna: PKB Schiphol), waarin het beleid ten aanzien van het luchtvaartterrein Schiphol is neergelegd.

Op 23 oktober 1996 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer krachtens artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw), gelezen in samenhang met artikel 24 van de Lvw, het luchtvaartterrein Schiphol aangewezen (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Op 20 februari 2003 is hoofdstuk 8 Wet Luchtvaart in werking getreden en het op grond daarvan vastgestelde Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (hierna: Lvb 2003). Daarbij zijn de PKB Schiphol en het aanwijzingsbesluit vervallen.

Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de uitbreiding van het luchtvaartterrein Schiphol hebben onder meer de minister van Verkeer en Waterstaat, provinciale staten van Noord-Holland en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol vastgesteld.

Ingevolge artikel 9 van de Gemeenschappelijke Regeling beslist het algemeen bestuur van het Schadeschap Luchthaven Schiphol op verzoeken om schadevergoeding, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover de schade verband houdt met de in die bepaling bedoelde besluiten.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, is het algemeen bestuur bevoegd de in artikel 9 genoemde bevoegdheden over te dragen aan de besliscommissie.

Bij besluit van 14 januari 1999 heeft het algemeen bestuur deze bevoegdheden aan de besliscommissie overgedragen.

3. [appellant] is eigenaar van een perceel met woning aan de [locatie] te [plaats]. De woning ligt op ongeveer twee kilometer afstand van de Aalsmeerbaan en op ongeveer zeven kilometer afstand van de Polderbaan, de vijfde baan. Hij stelt dat zijn perceel en zijn woning in waarde zijn verminderd als gevolg van geluidoverlast veroorzaakt door het vliegverkeer van en naar de luchthaven Schiphol. Meer in het bijzonder stelt hij dat de tot zijn perceel behorende weilandgrond in waarde is verminderd, omdat die grond niet langer geschikt is als bouwlocatie voor een extra woning.

4. Bij besluit van 29 januari 2013 heeft de besliscommissie onder verwijzing naar het advies van 8 oktober 2012 van de adviescommissie Mulder € 22.050,00 aan nadeelcompensatie toegekend voor het vaststellen van geluidzones in het aanwijzingsbesluit, voor zover dit ziet op het S4S2-(vier)banenstelsel te weten € 3.550,00, en voor waardevermindering van de woning als gevolg van de inwerkingtreding van het Lvb 2003, te weten € 18.500,00.

5. De rechtbank heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling overwogen dat de besliscommissie een korting van 50% wegens normaal maatschappelijk risico heeft mogen toepassen bij het bepalen van de vergoedbaarheid van de schade als gevolg van de vaststelling van de geluidzones in het aanwijzingsbesluit. Daarnaast heeft de besliscommissie zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de taxatie van het perceel geen rekening hoefde te worden gehouden met de door [appellant] beoogde bouw van een extra woning op zijn perceel. Tot slot heeft de besliscommissie volgens de rechtbank niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld, doordat woningen die bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit in de 65 Ke-contour zijn komen te liggen, zouden worden opgekocht, terwijl eigenaren van woningen in de zone tussen de 35 en 65 Ke in aanmerking komen voor nadeelcompensatie.

5.1. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besliscommissie geen korting van 50% wegens normaal maatschappelijk risico mocht toepassen, treft dit geen doel.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011 in zaak nr. 201002921/1/H2 volgt dat de besliscommissie het verstrekken van een vergoeding voor het vaststellen van geluidzones rond de luchthaven Schiphol mag baseren op de - in het kader van het vijfbanenstelsel ontwikkelde - maatstaf van 1 tot 6% waardedaling van een woning per 5 Ke toename in geluidbelasting. In dit systeem strekt een vergoeding niet tot compensatie van een, niet te constateren, vermindering van de waarde van een woning. Aan bewoners binnen de geluidzones komt een vergoeding toe, omdat zij anders dan bewoners van buiten de zones gesitueerde woningen geen bescherming kunnen ontlenen aan de buiten de zones geldende norm van minder dan 35 Ke. Voor de bepaling van de vergoeding is, in navolging van het advies, uitgegaan van 2% van de getaxeerde waarde van de woning op 31 oktober 1996, de datum waarop het aanwijzingsbesluit van kracht is geworden.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2010 in zaak nr. 201002921/1/T1/H2 volgt voorts dat de besliscommissie een korting van 50% wegens het normaal maatschappelijk risico kan toepassen. Daartoe is overwogen dat bewoners van huizen binnen de invloedsfeer van Schiphol rekening dienen te houden met een toename van geluidbelasting die samenhangt met de groei van de luchthaven, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het tijdstip waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en op de omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de besliscommissie voor de bepaling van de vergoeding ten onrechte is uitgegaan van 2% van de getaxeerde waarde van de woning op de peildatum 31 oktober 1996 en daarop een korting van 50% wegens normaal maatschappelijk risico heeft toegepast. Anders dan [appellant] kennelijk betoogt, heeft de besliscommissie geen korting wegens voorzienbaarheid toegepast. Daartoe bestond ook geen aanleiding. Ten tijde van de aankoop van de woning door [appellant] in 1975, was het instellen van geluidzones en geluidcontouren niet concreet voorzienbaar.

5.2. Anders dan [appellant] betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat de woning op de peildatum ten onrechte is getaxeerd als bedrijfswoning en niet als burgerwoning. Deze beroepsgrond en de ter onderbouwing daarvan overgelegde bouwvergunning bij brief van 26 januari 2015, zijn voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit buiten beschouwing te blijven.

5.3. Anders dan [appellant] betoogt, levert het toekennen van een vergoeding gebaseerd op de maatstaf van 1 tot 6% waardedaling van een woning per 5 Ke toename in geluidbelasting, afhankelijk van de ligging van de desbetreffende woning tussen de opvolgende geluidcontouren van 35 tot 65 Ke, geen ongerechtvaardigd onderscheid op ten opzichte van eigenaren van woningen met een geluidbelasting van meer dan 65 Ke, die de optie hebben hun woning door de desbetreffende (deel)gemeente te laten aankopen tegen onteigeningswaarde. De vaststelling van geluidzones en contouren is niet in dezelfde mate nadelig voor bewoners van woningen binnen de geluidzones. Reeds uit de verschillende ligging van de woningen, volgt dat geen sprake is van gelijke gevallen.

5.4. Voor zover [appellant] betoogt, dat bij de taxatie van het perceel met woning ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van de bouw van een extra woning op het perceel, overweegt de Afdeling het volgende. Op de peildatum 31 oktober 1996 voor het bepalen van de waarde van het perceel, had het perceel ingevolge het bestemmingsplan Landelijk gebied 1996 de bestemming Agrarische doeleinden III (tuinbouw + bijbehorende bebouwing inclusief één bedrijfswoning). Er was derhalve geen aanleiding om rekening te houden met de bouwplannen van [appellant]. Op de peildatum 20 februari 2003, die geldt voor schade ten gevolge van de inwerkingtreding van het Lvb 2003, had het perceel nog dezelfde bestemming. [appellant] heeft vanaf het begin van de procedure aangevoerd dat de waarde van het perceel te laag is getaxeerd, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van de bouw van een tweede woning op het perceel naast de bestaande woning. Daartoe heeft hij gewezen op de afgifte van een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 21 maart 1997. Bij brief van 26 januari 2015 heeft [appellant] een bouwvergunning van 8 april 1997 voor een woonhuis overgelegd. Omdat de overgelegde bouwvergunning een aanvulling en nadere onderbouwing van een eerder in beroep aangevoerde grond is, ruimschoots voor de behandeling van de zaak ter zitting is ingediend en niet dusdanig van aard is dat de besliscommissie hierop niet adequaat heeft kunnen reageren, bestaat, anders dan de besliscommissie ter zitting heeft verzocht, geen aanleiding de bouwvergunning wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Voor zover [appellant] de waardebepaling van het perceel op andere punten betwist, is van belang dat [appellant] dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de besliscommissie haar besluitvorming in zoverre niet kon baseren op het advies van de adviescommissie Mulder.

6. De besliscommissie dient met inachtneming van hetgeen onder 5.4. is overwogen, te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de door [appellant] gestelde grotere waardedaling van het perceel als gevolg van de inwerkingtreding van het Lvb 2003 voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij dient betrokken te worden of de bouwvergunning van 8 april 1997 aanleiding geeft het perceel op de peildatum 20 februari 2003 opnieuw te taxeren. Indien blijkt dat sprake is van voor aanvullende vergoeding in aanmerking komende schade, dient dit bedrag in een nieuw besluit te worden toegekend.

7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding onderscheidenlijk verschuldigdheid van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol op om binnen 24 weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in 6 is overwogen, het besluit van 18 september 2013 nader te motiveren dan wel een nieuw besluit te nemen en de uitkomst daarvan aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Hagen w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

299.