Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1925

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201503740/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:2173, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503740/1/V2.

Datum uitspraak: 11 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), van 30 april 2015 in zaken nrs. 15/7800 en 15/7806 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 april 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat te Arnhem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

1.2. De vreemdeling heeft eerder aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluiten van 1 oktober 2010, 7 augustus 2012 en 3 juli 2013 zijn deze aanvragen afgewezen. Het besluit van 15 april 2015 is van gelijke strekking als deze besluiten, zodat op het beroep tegen het besluit van 15 april 2015 voormeld beoordelingskader van toepassing is.

1.3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde nationaliteitsverklaring een rechtens relevant novum is en dat het in de rede ligt dat hij de vreemdeling alsnog in de gelegenheid stelt haar herkomst aannemelijk te maken. De staatssecretaris betoogt dat de vreemdeling met het overleggen van de nationaliteitsverklaring weliswaar haar nationaliteit heeft aangetoond, maar niet haar gestelde herkomst. De overgelegde nationaliteitsverklaring is derhalve geen rechtens relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid, aldus de staatssecretaris.

1.4. De vreemdeling heeft aan haar opvolgende aanvraag van 13 april 2015 ten grondslag gelegd een op 28 januari 2015 door de Somalische ambassade in België afgegeven nationaliteitsverklaring, waarin wordt verklaard dat de vreemdeling de Somalische nationaliteit bezit.

1.5. In een eerder besluit heeft de staatssecretaris de door de vreemdeling gestelde nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig geacht.

De door de Somalische ambassade afgegeven nationaliteitsverklaring toont slechts aan dat de vreemdeling de Somalische nationaliteit bezit. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de vreemdeling tot aan haar vertrek naar Nederland in Somalië heeft verbleven. Reeds hierom is de overgelegde nationaliteitsverklaring geen nieuw gebleken feit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2014 in zaak nr. 201306814/1/V3).

1.6. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

3. Nu de vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 15 april 2015 geen plaats.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 april 2015 in zaak nr. 15/7800;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Graat

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2015

307.