Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201501102/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501102/1/V1.

Datum uitspraak: 11 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 januari 2015 in zaak nr. 14/18737 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 11 augustus 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 januari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals ten tijde van belang luidend, verstaat de staatssecretaris onder medische noodsituatie: die situatie waarbij een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

2. De rechtbank heeft overwogen dat het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 27 juni 2014 (hierna: het BMA-advies) onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu dit alleen is gebaseerd op de door de vreemdeling overgelegde brief van 4 juni 2014 van haar psychiater en therapeutisch medewerker (hierna: de brief van 4 juni 2014), terwijl daarin niets is vermeld over een medische noodsituatie of haar medische voorgeschiedenis. Nu het BMA hierover geen aanvullende informatie aan de behandelaars heeft gevraagd, is volgens de rechtbank niet inzichtelijk op grond van welke voorgeschiedenis het BMA tot de conclusie is gekomen dat geen medische noodsituatie zal ontstaan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat aan de toetsing van het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling in bezwaar noch in beroep stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat voormelde conclusie uit het BMA-advies onjuist is, alleen wordt toegekomen als het BMA-advies zorgvuldig en inzichtelijk is opgesteld.

3. De grieven van de staatssecretaris zijn gericht tegen de onder 2 weergegeven rechtsoverwegingen. De staatssecretaris voert, onder verwijzing naar het Protocol Bureau Medische Advisering 2010 (www.ind.nl; hierna: het protocol), aan dat als een BMA-arts de van een behandelaar van een vreemdeling verkregen informatie voldoende acht, welke informatie ook via de desbetreffende vreemdeling kan zijn verkregen, deze geen nadere informatie behoeft te vragen aan die behandelaar. Voormelde conclusie in het BMA-advies over het ontstaan van een medische noodsituatie is volgens de staatssecretaris op basis van de brief van 4 juni 2014 en de medische expertise van de BMA-arts zorgvuldig en inzichtelijk. Daarbij wijst hij erop dat de vreemdeling deze conclusie niet met - recente - medische informatie heeft weerlegd.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

3.2. Het protocol vermeldt dat het de hoofdlijnen beschrijft van de werkwijze van het BMA bij de totstandkoming van medische adviezen. Volgens het protocol verstaat het BMA onder 'medische gegevens' gegevens die betrekking hebben op de medische toestand van betrokkenen en, voor zover thans van belang, direct afkomstig zijn van de behandelaar(s) van een vreemdeling. Het beoordelen van de medische aspecten, voorbereiden en opstellen van het medisch advies gebeurt, aldus het protocol, onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de medisch adviseur die het advies uitbrengt. Het protocol vermeldt voorts dat degene over wiens gezondheidstoestand medisch advies is gevraagd, toestemming dient te verlenen voor het opvragen en inzien van medische gegevens door de medisch adviseurs van het BMA bij door betrokkene zelf opgegeven behandelaars. Het protocol gaat voorts in op de inhoud van de schriftelijke bevraging van de behandelaars door het BMA.

3.3. Voor het opstellen van het BMA-advies is gebruik gemaakt van de brief van 4 juni 2014. Het BMA-advies vermeldt dat de BMA-arts het op basis van de verstrekte informatie niet noodzakelijk acht om de vreemdeling op te roepen voor een spreekuuronderzoek of om nader specialistisch onderzoek te laten verrichten.

Het BMA-advies vermeldt dat de vreemdeling psychische klachten heeft die voortkomen uit een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis van matige aard, die onder invloed van de behandeling in remissie is en dat de huidige klachten slapeloosheid, nachtmerries, prikkelbaarheid, achterdocht, vergeetachtigheid en paniek betreffen. Volgens het BMA-advies zal geen medische noodsituatie ontstaan, hetgeen de BMA-arts afleidt uit de verschijnselen van de stoornis zelf, te weten dat de vreemdeling niet psychotisch of suïcidaal is, en uit de voorgeschiedenis die geen relevante incidenten, zoals een gedocumenteerde suïcidepoging of een gedwongen opname laat zien.

3.4. De staatssecretaris heeft het BMA bij brief van 18 juni 2014 verzocht een medisch advies uit te brengen over de vreemdeling, waarbij hij een toestemmingsverklaring van 4 juni 2014 voor de psychiater van de vreemdeling om medische informatie aan het BMA te verstrekken en de brief van 4 juni 2014 heeft overgelegd.

De omstandigheid dat de BMA-arts geen nadere informatie bij de behandelaars van de vreemdeling heeft ingewonnen over het ontstaan van een medische noodsituatie maakt niet dat het BMA-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het behoort tot de deskundigheid van het BMA om te beoordelen of aanvullende informatie van de behandelaars voor de beantwoording van de door de staatssecretaris gestelde vragen over het ontstaan van een medische noodsituatie noodzakelijk is (vergelijk de uitspraak van 24 april 2014 in zaak nr. 201303154/1/V3). Dat de vreemdeling zelf de brief van 4 juni 2014 heeft overgelegd doet hieraan niet af (vergelijk de uitspraak van 14 januari 2014 in zaak nr. 201302964/1/V1).

Voorts licht het BMA-advies de conclusie dat geen medische noodsituatie zal ontstaan toe door te wijzen op het uitblijven van specifieke mogelijke verschijnselen van de stoornis zelf en de medische voorgeschiedenis van de vreemdeling die volgens de BMA-arts geen relevante incidenten, zoals een gedocumenteerde suïcidepoging of een gedwongen opname laat zien.

Op grond hiervan heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het BMA-advies zorgvuldig en inzichtelijk is. De staatssecretaris heeft zich aldus evenzeer terecht op het standpunt gesteld dat de conclusie van het BMA over het ontstaan van een medische noodsituatie niet is weerlegd.

Gelet op het hiervoor overwogene en nu de vreemdeling in bezwaar niet heeft aangevoerd dat de informatie waar de BMA-arts zich op heeft gebaseerd haar medische voorgeschiedenis onvolledig weergaf, heeft de staatssecretaris het BMA-advies terecht aan het besluit van 11 augustus 2014 ten grondslag gelegd, zodat de rechtbank ten onrechte tot de bestreden overwegingen is gekomen.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 11 augustus 2014 getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling voert in beroep aan dat de staatssecretaris bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omvang van de uitbraak van ebola hemorragische koorts (hierna: ebola) in haar land van herkomst, Guinee. Zij stelt dat besmetting met ebola haar in combinatie met haar huidige medische problematiek fataal kan worden.

5.1. Reeds omdat de vreemdeling het voormelde niet met medische stukken heeft gestaafd, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de uitbraak van ebola in Guinee wegens haar gezondheidssituatie in een medische noodsituatie zal geraken of dat het daardoor onverantwoord is om te reizen. De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 januari 2015 in zaak nr. 14/18737;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2015

154.