Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1921

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201502808/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:3573, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502808/1/V3.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2015 in zaak nr. 15/5381 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een nader stuk ingediend, waarop de vreemdeling desgevraagd heeft gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië ontbreekt.

Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2015 in zaak nr. 201409344/1/V3, waarin is geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië niet ontbreekt, omdat de Somalische autoriteiten op 22 oktober 2014 uitdrukkelijk hebben toegezegd dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen. De staatssecretaris wijst erop dat sinds voornoemde uitspraak niet veel tijd is verstreken en dat hij op diplomatiek niveau onverminderd de nodige inspanningen verricht, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij in maart 2015 een nieuw concept Memorandum of Understanding (hierna: MoU) aan de Somalische autoriteiten heeft voorgelegd. Volgens de staatssecretaris is niet gebleken dat de Somalische autoriteiten zijn teruggekomen van hun toezegging van 22 oktober 2014. Daarnaast heeft de staatssecretaris er in zijn nader stuk van 1 mei 2015 op gewezen dat via de Somalische immigratiedienst nog steeds zaken kunnen worden voorgelegd. Van de tien vreemdelingen die sinds 1 januari 2015 bij de Directie Internationale Aangelegenheden van de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn aangemeld, is één vreemdeling bij de Somalische immigratieautoriteiten aangemeld voor gedwongen terugkeer. Met laatstgenoemde autoriteiten is vervolgens in maart 2015 een akkoord bereikt over de gedwongen terugkeer van die vreemdeling. Nu die vreemdeling voor zijn uitzetting evenwel heeft aangegeven dat hij alsnog vrijwillig wilde terugkeren naar Somalië, is hij begin april 2015 zelfstandig teruggekeerd. De staatssecretaris wijst er tot slot op dat sinds januari 2015 weliswaar nog geen concrete afspraken met de Somalische autoriteiten zijn gemaakt over gedwongen terugkeer, maar dat hij medio april 2015 een Note Verbale aan die autoriteiten heeft gezonden en in afwachting is van de reactie daarop. Gelet op al het voorgaande bestaat nog immer zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, aldus de staatssecretaris.

1.1. De staatssecretaris heeft niet weersproken dat na de geslaagde uitzettingen op 23 en 30 november 2014 en 7 december 2014 geen uitzettingen meer naar Somalië hebben plaatsgevonden en dat sinds januari 2015 geen gesprekken meer hebben plaatsgevonden met de Somalische autoriteiten over de hervatting van gedwongen terugkeer. Daar staat evenwel tegenover dat de staatssecretaris zich nog immer inspant om tot structurele afspraken te komen met de Somalische autoriteiten, hetgeen blijkt uit het voorleggen van een nieuw MoU in maart 2015 en de toezending van een Note Verbale in april 2015 aan die autoriteiten. Nu voorts niet is gebleken dat de Somalische autoriteiten uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij hun medewerking aan de gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen hebben opgeschort en de staatssecretaris nog immer Somalische vreemdelingen voor gedwongen terugkeer kan aanmelden bij de Somalische immigratieautoriteiten, hetgeen ertoe heeft geleid dat in maart 2015 nog een akkoord is bereikt over de gedwongen terugkeer van een Somalische vreemdeling, bestaat, mede gelet op het geringe tijdsverloop sinds de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2015, geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië ontbreekt. Dat de vreemdeling over wiens gedwongen terugkeer een akkoord was bereikt, uiteindelijk vrijwillig is teruggekeerd naar Somalië doet daaraan niet af. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 maart 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris in zijn geval onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu alleen een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en nog geen laissez passer is aangevraagd.

3.1. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat de uitzetting van de vreemdeling naar Somalië niet met een laissez passer maar met een EU-staat zal geschieden. Nu op 20 maart 2015, de achtste dag van de inbewaringstelling, met de vreemdeling een vertrekgesprek is gevoerd en de vreemdeling niet beschikt over een geldig paspoort, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond faalt.

4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

5. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2015 in zaak nr. 15/5381;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bechinka

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

371-644.