Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1907

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201311610/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Polder" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6980
Module Ruimtelijke ordening 2015/7346
ABkort 2015/251
JOM 2015/541
OGR-Updates.nl 2015-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311610/1/R4.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Noord (hierna: LTO), gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,

2. de vennootschap onder firma V.O.F. Activiteiten Centrum Terschelling, gevestigd te Hoorn, gemeente Terschelling, waarvan de vennoten zijn [vennoot sub 2A], [vennoot sub 2B], beiden wonend te Lies, gemeente Terschelling, en [appellant sub 2C], wonend te Hoorn, gemeente Terschelling,

3. de stichting Stichting Ons Schellingerland, gevestigd te Lies, gemeente Terschelling,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te Oosterend, gemeente Terschelling, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4])

appellanten,

en

de raad van de gemeente Terschelling,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Polder" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben LTO, Activiteiten Centrum Terschelling, de stichting en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Activiteiten Centrum Terschelling, de stichting en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201403126/1/R4 (www.raadvanstate.nl), ter zitting behandeld op 23 maart 2015 waar LTO, vertegenwoordigd door ir. S. Boonstra, werkzaam bij Rombou, Activiteiten Centrum Terschelling, vertegenwoordigd door [appellant sub 2C], bijgestaan door [gemachtigde], de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter], bijgestaan door mr. J.W. Spanjer, advocaat te Haarlem, [appellant sub 4], in de personen van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], bijgestaan door mr. J. de Graaf, werkzaam bij Catch Legal, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.H. Petersen en H.T. Smit, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het agrarisch gebied van de Terschellinger Polder. Het plan is overwegend conserverend van aard.

Goede procesorde

3. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgronden pas in een laat stadium zijn aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op de beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van partijen over en weer.

3.1. Ter zitting heeft de stichting nadere beroepsgronden naar voren gebracht over de landschappelijke inpassing van kampeermiddelen, de eventuele verwijdering van beplanting na de beëindiging van het kamperen bij de boer en de aan te houden afstanden tussen de agrarische opstallen en de kampeermiddelen. Niet is gebleken dat de stichting deze beroepsgronden niet eerder naar voren heeft kunnen brengen, terwijl doordat de stichting deze beroepsgronden eerst ter zitting naar voren heeft gebracht andere partijen niet op passende wijze op deze beroepsgronden hebben kunnen reageren. Gelet hierop is het eerst ter zitting aanvoeren van de genoemde beroepsgronden in dit geval in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze beroepsgronden buiten beschouwing zal laten bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Ontvankelijkheid

4. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van LTO, voor zover dat beroep is gericht tegen de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel", artikel 1, lid 1.85, en artikel 3, lid 3.5, onder e, aanhef en sub 3, van de planregels, omdat LTO hierover geen zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

4.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

In de zienswijze heeft LTO bezwaar gemaakt tegen de omstandigheid dat volgens haar sommige erven wel zijn vergroot in het onderhavige plan en andere erven niet. Hiermee heeft LTO onder meer de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" bestreden. Voorts heeft LTO in de zienswijze bezwaar gemaakt tegen de beperkingen in het ontwerpplan ten aanzien van kamperen bij de boer. Hiermee heeft LTO naar het oordeel van de Afdeling ook artikel 1, lid 1.85, van de planregels bestreden, nu de in dit lid opgenomen definitiebepaling van "toeristische standplaats" beperkingen bevat ten aanzien van het kamperen bij de boer. Gelet hierop kan LTO tegen deze functieaanduiding en artikel 1, lid 1.85, beroepsgronden aanvoeren die niet in de zienswijze naar voren zijn gebracht en die eerst in het beroepschrift zijn aangevoerd.

Gelet op het voorgaande bestaat, anders dan is betoogd, geen aanleiding om het beroep van LTO in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

4.2. Het beroep van LTO, voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.5, onder e, aanhef en sub 3, van de planregels, steunt echter niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van LTO is in zoverre niet-ontvankelijk.

5. De raad betoogt verder dat het beroep van Activiteiten Centrum Terschelling, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Sport - Manege" voor het perceel Boddelenweg 5 te Hoorn, het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", artikel 1, lid 1.62 en lid 1.70, van de planregels en het ontbreken van een milieueffectrapportage niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een zienswijze hierover.

5.1. In haar zienswijze vraagt Activiteiten Centrum Terschelling een op herontwikkeling toegespitste bestemming toe te kennen aan het perceel Boddelenweg 5. Nu zij hiermee het plandeel met de bestemming "Sport - Manege" voor het perceel Boddelenweg 5 in de zienswijze heeft bestreden, kan zij tegen dit plandeel ook beroepsgronden aanvoeren die niet in de zienswijze naar voren zijn gebracht en die eerst in het beroepschrift naar voren zijn gebracht, waaronder het ontbreken van uitbreidingsruimte op het perceel Boddelenweg 5 en de economische uitvoerbaarheid van de bestemming "Sport - Manege".

5.2. Het beroep van Activiteiten Centrum Terschelling voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en artikel 1, lid 1.62 en lid 1.70, van de planregels steunt evenwel niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door Activiteiten Centrum Terschelling aangevoerde omstandigheid dat de raad eerst voornemens was een beheersverordening voor het plangebied op te stellen, nu de raad hierop is teruggekomen en het ontwerpplan overeenkomstig de wettelijke eisen is gepubliceerd en ter inzage heeft gelegen. Het beroep van Activiteiten Centrum Terschelling is in zoverre niet-ontvankelijk.

De beroepen van LTO, de stichting en [appellant sub 4]

Kamperen bij de boer (artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels)

6. Ingevolge artikel 1, lid 1.7, van de planregels is een agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge lid 1.55 is een kampeermiddel een tent, een tentwagen, een camper of een caravan dan wel enig ander voertuig of onderkomen, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Ingevolge lid 1.85 is een toeristische standplaats het terreingedeelte dat bestemd is voor het plaatsen van een kampeermiddel, niet zijnde een bouwwerk, dat slechts gedurende een beperkte periode van ten hoogste enige weken (maximaal drie maanden) op het kampeerterrein aanwezig is.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 8, wordt onder een gebruik strijdig met de bestemming "Agrarisch" in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het hebben van recreatieappartementen en andere verblijfsrecreatieve doeleinden, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf" en "specifieke vorm van recreatie - recreatieappartement".

Ingevolge lid 3.5, aanhef en onder g, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4, onder a, sub 8, en toestaan dat de gronden tevens worden gebruikt voor kamperen bij de boer, ten behoeve van toeristische standplaatsen, waarbij de omgevingsvergunning telkens voor de duur van ten hoogste 4 jaar wordt verleend, mits:

1. het kamperen bij de boer uitsluitend is toegestaan binnen de agrarische bouwpercelen dan wel op percelen direct aansluitend op de agrarische bouwpercelen;

2. het kamperen bij de boer uitsluitend is toegestaan bij volwaardige agrarische bedrijven met een minimale omvang van 0,75 volwaardige arbeidskracht/mensjaar. Zodra de agrarische functie wordt beëindigd of de agrarische bedrijfsvoering wordt afgebouwd, dient het kamperen bij de boer te worden beëindigd;

3. er per agrarisch bedrijf ten hoogste 1 kampeerterrein wordt toegestaan;

4. er ten hoogste 7 kampeerterreinen zullen worden toegestaan;

5. er ten hoogste 2 kampeerterreinen per hemrik, zoals die zijn weergegeven op de kaart in Bijlage 8 Hemrikken, zullen worden toegestaan;

6. er niet meer dan 10 kampeermiddelen per kampeerterrein worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;

7. de omvang van het kampeerterrein ten hoogste 0,5 hectare zal bedragen waarbij per standplaats een maximale omvang geldt van 500 m² bruto oppervlakte, inclusief beplanting, speeltoestellen, en dergelijke;

8. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beginselen van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en mogelijk verlies aan areaal binnen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur kwalitatief en/of financieel wordt gecompenseerd;

9. deze omgevingsvergunning in ieder geval niet wordt verleend indien er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie op nabijgelegen erven. Aangenomen wordt dat deze woonsituatie onevenredig wordt geschaad, als het perceel waar gekampeerd zal gaan worden op minder dan 50 m afstand is gelegen van de bestemmingsgrenzen van nabijgelegen woonhuizen;

10. sanitaire voorzieningen worden uitsluitend ondergebracht binnen de bestaande gebouwen behorende bij het agrarische bedrijf. De bebouwing mag worden gebruikt voor recreatiedoeleinden uitsluitend voor de eigen kampeergasten;

11. er een inrichtingsplan dient te worden overgelegd volgens de richtlijn opgenomen in Bijlage 3 Handreiking erfinrichting;

12. met de kampeerplaatsen het maximaal toegestane aantal bedden binnen de beddenboekhouding niet wordt overschreden;

13. de activiteit geen gevolgen heeft voor de natuurwaarden. Zo nodig dient dit door aanvrager te worden aangetoond door middel van een deugdelijk ecologisch onderzoek.

7. [appellant sub 4] en LTO kunnen zich niet verenigen met de beperkingen die zijn verbonden aan het kamperen bij de boer doordat het kamperen bij de boer alleen op toeristische standplaatsen is toegestaan.

LTO voert daartoe aan dat de planregeling in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 6, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.85 van de planregels, waarin is bepaald dat kampeermiddelen tussen 15 maart en 31 oktober maximaal drie maanden ter plaatse mogen zijn, onnodig beperkend is. Volgens LTO duurt het toeristisch seizoen op Terschelling langer dan drie maanden.

[appellant sub 4] voert aan dat het plan ten onrechte kamperen bij de boer alleen toestaat op toeristische standplaatsen. Nu ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 6, ook andere kampeermiddelen dan tenten zijn toegestaan, is deze beperking ten onrechte in het plan opgenomen. Verder voert [appellant sub 4] aan dat aan toeristische standplaatsen ten onrechte de beperking is verbonden dat kampeermiddelen maximaal drie maanden ter plaatse mogen zijn. Volgens hem is er geen verschil in ruimtelijke uitstraling tussen een standplaats met een vast kampeermiddel en een standplaats met steeds wisselende kampeermiddelen.

7.1. De raad stelt dat uit de beleidsnotitie en het onderhavige plan volgt dat de opzet van het kamperen bij de boer is gericht op kleinschalig kamperen met kampeermiddelen die niet langdurig ter plaatse blijven. Gelet hierop heeft de raad in het bestemmingsplan aansluiting gezocht bij de standplaatscategorie uit het kampeerbeleid die het beste aansluit bij voormelde opzet van het kamperen bij de boer, de toeristische standplaats. Dergelijke standplaatsen gelden ook voor natuur- en jeugdcampings, aldus de raad.

7.2. De Afdeling is van oordeel dat uit artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 6, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.85, van de planregels volgt dat kamperen bij de boer is toegestaan in de periode tussen 15 maart en 31 oktober, waarbij een kampeermiddel maximaal drie maanden op een toeristische standplaats mag staan. Na deze periode van drie maanden kan een ander kampeermiddel, opnieuw voor maximaal drie maanden, op deze toeristische standplaats staan. Gelet hierop mist het betoog van LTO dat het kampeerseizoen in het plan wordt beperkt tot een periode van drie maanden feitelijke grondslag.

7.3. In het bestemmingsplan heeft de raad voor het kamperen bij de boer aangesloten bij de standplaatsensystematiek uit het kampeerbeleid en de kampeerverordening door het kamperen bij de boer alleen toe te staan op toeristische standplaatsen. De raad heeft hiervoor gekozen omdat het kamperen bij de boer volgens de raad moet worden beschouwd als een uitbreiding op het bestaande reguliere aanbod van kampeermogelijkheden en als een ondergeschikte nevenfunctie bij de agrarische bedrijfsvoering. Voorts heeft de raad gekozen voor toeristische standplaatsen bij het kamperen bij de boer, omdat hiermee jaarronde bezetting van het kampeerterrein wordt uitgesloten, hetgeen van belang is voor de bescherming van het open polderlandschap in het plangebied. In de door [appellant sub 4] genoemde omstandigheid dat ook andere kampeermiddelen dan tenten op een toeristische standplaats zijn toegestaan, ziet de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om kamperen bij de boer uitsluitend toe te staan op toeristische standplaatsen.

7.4. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat aan het begrip toeristische standplaats in artikel 1, lid 1.85, van de planregels ten onrechte een termijn van drie maanden voor het ter plaatse hebben van kampeermiddelen is verbonden, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft in de beleidsnotitie, in de plantoelichting noch in het verweerschrift gemotiveerd waarom voor deze termijn is gekozen. Evenmin heeft de raad zijn stelling gemotiveerd dat er een verschil in ruimtelijke uitstraling bestaat tussen een standplaats met één vast kampeermiddel in de periode 15 maart tot en met 31 oktober en een standplaats welke in de periode tussen 15 maart en 31 oktober wordt bezet met steeds wisselende kampeermiddelen die maximaal drie maanden ter plaatse zijn. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ervoor heeft gekozen om in het begrip toeristische standplaats de beperking op te nemen dat kampeermiddelen maximaal drie maanden ter plaatse mogen zijn.

Het betoog van [appellant sub 4] slaagt.

8. [appellant sub 4] en LTO betogen dat in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels ten onrechte is opgenomen dat de omgevingsvergunning voor een periode van maximaal vier jaar wordt verleend. Daartoe voeren zij aan dat de termijn van vier jaar ruimtelijke relevantie ontbeert en dat de raad ten onrechte stelt dat de termijn nodig is om te controleren of nog sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Volgens LTO kan bij de actualisering van bestemmingsplannen worden beoordeeld of een bedrijf nog een agrarische hoofdfunctie heeft en volgt uit artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, al dat het kamperen bij de boer moet worden beëindigd bij bedrijfsbeëindiging. [appellant sub 4] voert verder aan dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom daarbij voor een termijn van vier jaar is gekozen en niet voor een langere termijn.

8.1. De raad stelt dat de termijn van vier jaar in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels is opgenomen om te voorkomen dat de ondergeschikte nevenactiviteit na afbouw of beëindiging van het volwaardige agrarische bedrijf blijft voortbestaan.

8.2. De Afdeling acht het in beginsel aanvaardbaar dat een bestemmingsplan voorziet in een afwijkingsbevoegdheid waarmee gedurende een bepaalde periode binnen de planperiode kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Dit neemt niet weg dat de raad dient te motiveren waarom hij vanuit ruimtelijk oogpunt een dergelijke afwijkingsbevoegdheid aanvaardbaar acht.

Uit de beleidsnotitie, de zienswijzennota en de toelichting van de raad ter zitting blijkt dat de raad de termijn van vier jaar in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels alleen heeft opgenomen om de controle op de voorwaarden voor kamperen bij de boer en eventueel handhavend optreden te vergemakkelijken, nu een vast controlemoment bestaat aan het einde van de vergunningsperiode en door deze tijdelijke omgevingsvergunningen minder vergunningen ingetrokken hoeven te worden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom hij uit ruimtelijk oogpunt heeft gekozen voor een afwijkingsbevoegdheid waarmee gedurende een periode kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, sub 2, het kamperen bij de boer reeds moet worden beëindigd als geen sprake meer is van een volwaardig agrarisch bedrijf.

De betogen slagen.

9. [appellant sub 4] betoogt verder dat het bestaande gebruik van een deel van zijn gronden voor het kamperen bij de boer ten onrechte niet als zodanig in het bestemmingsplan is opgenomen. Hij voert daartoe aan dat in 2013 een omgevingsvergunning is verleend voor het kamperen bij de boer op zijn perceel, in welk kader al uitvoerig getoetst is of de kampeeractiviteiten op zijn perceel in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft niet gemotiveerd waarom dit bestaande legale gebruik niet in het bestemmingsplan is opgenomen, terwijl grote investeringen zijn gedaan om de kampeeractiviteiten op het perceel mogelijk te maken, aldus [appellant sub 4].

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestaande legale gebruik voor een periode van vier jaar voldoende gewaarborgd is. Na afloop van deze periode kan een nieuwe omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het kamperen bij de boer.

9.2. Blijkens de verbeelding heeft het perceel van [appellant sub 4] aan de [locatie 1] te Oosterend de bestemming "Agrarisch". Voorts is aan een deel van de gronden de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" en een bouwvlak toegekend.

9.3. Op 24 april 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [appellant sub 4] een omgevingsvergunning verleend voor het kamperen bij de boer op een deel van zijn perceel voor een periode van vier jaar. Blijkens het verweerschrift en de toelichting van de raad ter zitting heeft hij dit bestaande, tijdelijk toegestane gebruik niet als zodanig in het plan opgenomen, om de controle op de voorwaarden voor kamperen bij de boer en eventueel handhavend optreden te vergemakkelijken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee, mede gelet op hetgeen reeds onder 8.2 is overwogen, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom hij uit ruimtelijk oogpunt het kamperen bij de boer op het perceel van [appellant sub 4] niet als zodanig wil bestemmen.

Het betoog slaagt.

10. LTO betoogt dat de raad in het bestemmingsplan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van twee agrarische bedrijven die reeds op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2008, aan welk bestemmingsplan door de Afdeling goedkeuring is onthouden bij uitspraak van 7 juli 2010, zaak nr. 200901747/1/R3 (www.raadvanstate.nl), een omgevingsvergunning voor het kamperen bij de boer hebben gekregen. Volgens LTO moeten deze twee bedrijven hun bedrijfsvoering door de onderhavige planregeling ingrijpend wijzigen.

10.1. LTO heeft haar stelling dat agrarische bedrijven in hun belangen worden getroffen niet onderbouwd. Derhalve is niet duidelijk welke bedrijven het betreft en is evenmin duidelijk in hoeverre deze bedrijven in hun belangen worden geraakt door het onderhavige plan. Gelet hierop biedt het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan aan de belangen van agrarische ondernemers met een tijdelijke omgevingsvergunning voor het kamperen bij de boer onvoldoende gewicht heeft toegekend.

Het betoog faalt.

11. De stichting betoogt dat het plan via de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om met andere kampeermiddelen dan tenten binnen de bestemming "Agrarisch" te kamperen. Dit laatste is volgens de stichting in strijd met de in 2007 door de raad vastgestelde beleidsnotitie "Kamperen bij de boer" (hierna: de beleidsnotitie) en de zienswijzennota bij het onderhavige bestemmingsplan. De stichting betoogt verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in een begripsbepaling van het begrip "tent", waardoor binnen de bestemming "Agrarisch" zeer grote tenten, waaronder een circustent opgezet mogen worden. De stichting pleit in dit kader voor het opnemen van het begrip "toeristische tent" in het bestemmingsplan, waarbij een tent niet groter mag zijn dan 20 m2 en niet meer dan tien toeristische tenten per kampeerterrein zijn toegestaan.

11.1. De raad stelt over het begrip kampeermiddel dat hij hiervoor heeft aangesloten bij de beleidsnotitie, waarin staat dat het kamperen bij de boer wordt toegestaan in mobiele kampeermiddelen, waaronder tenten, caravans en campers. In het bestemmingsplan "Buitengebied" had de raad er wel voor gekozen om het kamperen bij de boer alleen toe te staan in tenten, maar hierop is de raad in het onderhavige bestemmingsplan teruggekomen. Volgens de raad voorzien de Beleidsregels kamperen gemeente Terschelling 2010 (hierna: het kampeerbeleid) van de gemeente verder niet in een oppervlaktemaat voor kampeermiddelen. Nu in het onderhavige plan aansluiting is gezocht bij het kampeerbeleid, is het volgens de raad niet wenselijk om in het bestemmingsplan nadere regels over de omvang van kampeermiddelen op te nemen.

11.2. Wat betreft het betoog van de stichting dat het plan ten onrechte niet voorziet in een begripsbepaling van het begrip "tent" of het door de stichting bepleite begrip "toeristische tent", wordt het volgende overwogen. Het kamperen bij de boer is alleen toegestaan in kampeermiddelen op toeristische standplaatsen. Gelet op artikel 1, lid 1.85, van de planregels betekent dit dat kamperen niet is toegestaan in bouwwerken en dat uitsluitend gekampeerd mag worden in kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1.55. Zeer grote tenten, waaronder een door de stichting aangehaalde circustent, zijn hierdoor naar het oordeel van de Afdeling uitgesloten, nu artikel 1, lid 1.55 bepaalt dat kampeermiddelen gebruikt moeten worden als recreatief nachtverblijf. Voorts is in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, sub 6, bepaald dat het kamperen bij de boer in maximaal tien kampeermiddelen is toegestaan. Verder zal bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het kamperen bij de boer een inrichtingsplan overgelegd moeten worden, waarin ook de omvang van de verwachte kampeermiddelen wordt betrokken. Gelet op het vorenstaande biedt het betoog van de stichting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen nadere definiëring van het begrip "tent" in de planregels op te nemen, dan wel niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet te kiezen voor het begrip "toeristische tent".

11.3. In de zienswijzennota staat, in reactie op de zienswijzen van de stichting en van [appellant sub 4], dat het kamperen bij de boer voorheen uitsluitend was toegestaan in tenten, maar dat de raad in het onderhavige plan ervoor kiest om het kamperen bij de boer ook toe te staan in andere kampeermiddelen, waaronder caravans en campers. Artikel 1, lid 1.55, van de planregels is hiermee in overeenstemming, nu ingevolge die begripsbepaling een kampeermiddel niet per se een tent hoeft te zijn. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het vastgestelde bestemmingsplan in zoverre niet overeenkomt met de beantwoording van de zienswijzen.

11.4. In de beleidsnotitie staat dat het kamperen bij de boer wordt toegestaan in mobiele kampeermiddelen en dat kamperen bij de boer in chalets, trekkershutten of stacaravans niet is toegestaan. Naar aanleiding van opmerkingen in de commissievergadering van de raad staat voorts in de beleidsnotitie dat in de kampeerverordening of in het bestemmingsplan zal worden opgenomen dat kamperen bij de boer uitsluitend is toegestaan in tenten. De raad heeft bij besluit van 24 juli 2007 ingestemd met de beleidsnotitie, met inachtneming van de overwegingen naar aanleiding van de behandeling in de commissievergadering, derhalve inclusief de bepaling dat in een bestemmingsplan of de kampeerverordening zal worden opgenomen dat het kamperen bij de boer alleen is toegestaan in tenten. De Afdeling stelt vast dat in de op 26 juli 2011 vastgestelde Kampeerverordening gemeente Terschelling 2011 (hierna: de kampeerverordening) noch in het onderhavige bestemmingsplan is bepaald dat het kamperen bij de boer uitsluitend is toegestaan in tenten. Aldus is de raad afgeweken van de beleidsnotitie, terwijl hij hiervoor geen motivering heeft gegeven. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan, voor zover op grond van artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels kamperen bij de boer kamperen in andere kampeermiddelen dan tenten kan worden toegestaan, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

12. De stichting en [appellant sub 4] betogen verder dat onduidelijk is waar het kamperen bij de boer is toegestaan. Daartoe voeren zij aan dat ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 1, van de planregels een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het kamperen bij de boer ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" dan wel percelen direct aansluitend op de percelen met deze functieaanduiding. Volgens de stichting en [appellant sub 4] ontbreekt een definitiebepaling van het begrip "direct aansluitend perceel", waardoor niet duidelijk is welke percelen gebruikt mogen worden voor het kamperen bij de boer. [appellant sub 4] stelt dat binnen de bestemming "Agrarisch" alle percelen voor het kamperen bij de boer aangewend moeten kunnen worden.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is wat onder percelen direct aansluitend op de agrarische bouwpercelen moet worden verstaan, nu het plan voorziet in de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" en volgens de raad in het dagelijks spraakgebruik voldoende duidelijk is wat onder direct aansluitend moet worden verstaan.

12.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.30, van de planregels is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

12.3. De planregels voorzien niet in een definitiebepaling van het begrip direct aansluitend perceel. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat het bestemmingsplan in zoverre rechtsonzeker is, nu hieraan de betekenis die het begrip heeft in het dagelijks spraakgebruik moet worden toegekend.

Voor zover [appellant sub 4] heeft betoogd dat alle percelen met de bestemming "Agrarisch" gebruikt moeten kunnen worden voor het kamperen bij de boer, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 4] hiervoor geen argumenten heeft aangedragen. Reeds daarom geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om kamperen bij de boer alleen toe te staan op percelen met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" en de daarop direct aansluitende percelen.

De betogen falen.

13. De stichting betoogt dat het in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 2 en sub 6, van de planregels opgenomen begrip "volwaardig agrarisch bedrijf" niet duidelijk is. Volgens de stichting is de gehanteerde definitie voor "volwaardig agrarisch bedrijf" onvoldoende toegespitst op de situatie op Terschelling en onvoldoende controleerbaar.

13.1. De raad stelt dat uit de planregels volgt dat het kamperen bij de boer uitsluitend is toegestaan bij volwaardige agrarische bedrijven. Dit zijn volgens de raad agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 1.7 van de planregels met een minimale omvang van 0,75 mensjaar. De bewijslast in dezen ligt bij de agrarische ondernemer.

13.2. Het kamperen bij de boer is ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, sub 2, van de planregels uitsluitend toegestaan bij een volwaardig agrarisch bedrijf, waarbij een agrarisch bedrijf, ingevolge artikel 1, lid 1.7, een bedrijf is dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, sub 2, dient voor het kamperen bij de boer sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf met een minimale omvang van 0,75 volwaardige arbeidskracht per mensjaar. Een mensjaar staat volgens de kengetallen van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van de Wageningen University gelijk aan 1700 arbeidsuren, zodat een agrarisch bedrijf dat in aanmerking wil komen voor het kamperen bij de boer een minimale omvang van 1275 arbeidsuren moet hebben. De raad heeft verder uiteengezet dat de bewijslast bij de ondernemer ligt. Tegen deze achtergrond geeft hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip volwaardig agrarisch bedrijf onvoldoende duidelijk is, onvoldoende toegespitst is op de situatie op Terschelling, dan wel niet handhaafbaar is. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een nadere definitie van volwaardig agrarisch bedrijf achterwege kon blijven.

Het betoog faalt.

14. LTO en [appellant sub 4] betogen voorts dat in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 10, van de planregels ten onrechte is bepaald dat sanitaire voorzieningen uitsluitend mogen worden ondergebracht binnen de bestaande gebouwen behorende bij het agrarisch bedrijf. Volgens [appellant sub 4] zijn veel kampeermiddelen reeds voorzien van een sanitaire voorziening. Volgens LTO zijn er ook andere oplossingen denkbaar, bijvoorbeeld door het plaatsen van een sanitair blok uit het zicht of aansluitend aan de bestaande bebouwing. Voorts voert LTO aan dat ten onrechte wordt verondersteld dat binnen de bestaande bebouwing ruimte is voor dergelijke voorzieningen en is het om veiligheids- en hygiëneredenen niet gewenst om sanitaire voorzieningen onder te brengen in bedrijfsgebouwen.

14.1. De raad heeft ervoor gekozen om sanitaire voorzieningen uitsluitend toe te staan in bestaande bebouwing behorende bij het agrarische bedrijf, omdat hiermee nieuw ruimtebeslag wordt voorkomen en de kleinschaligheid kan worden gegarandeerd. Daarbij is het volgens de raad mogelijk om een aparte ingang voor de sanitaire voorzieningen te maken en deze af te schermen van de rest van de agrarische bebouwing. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de sanitaire voorzieningen niet op een zodanige wijze kunnen worden ingepast dat dit niet leidt tot onveilige of onhygiënische situaties voor de kampeergasten, de ondernemer en zijn dieren. Voor het overige heeft LTO geen feiten of omstandigheden aangedragen die nopen tot het onderbrengen van sanitaire voorzieningen in aparte bebouwing. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen LTO heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om sanitaire voorzieningen uitsluitend in bestaande bebouwing behorende bij het agrarische bedrijf toe te staan.

Het betoog van LTO faalt.

14.2. Het plan voorziet niet in een begripsbepaling van de begrippen "sanitair" en "sanitaire voorziening". Uit artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, aanhef en sub 10, van de planregels volgt dat sanitaire voorzieningen alleen zijn toegestaan als deze zijn ondergebracht in bestaande gebouwen behorende bij het agrarische bedrijf, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling betekent dat sanitaire voorzieningen, in welke vorm dan ook, buiten de bestaande bebouwing behorende bij het agrarische bedrijf niet zijn toegestaan. In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad zich echter op het standpunt gesteld dat sanitaire voorzieningen in kampeermiddelen wel zijn toegestaan, mits deze niet zijn voorzien van een water- en rioolaansluiting. Sanitaire voorzieningen met dergelijke aansluitingen mogen volgens de raad alleen worden ondergebracht in bestaande bebouwing behorende bij het agrarische bedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling vindt dit standpunt van de raad geen steun in de planregels. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 4] slaagt.

Het beroep van LTO voor het overige

15. LTO kan zich voorts niet verenigen met de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Volgens LTO zijn de in het bestemmingsplan met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" aangeduide bouwpercelen te klein. Daartoe voert LTO aan dat de agrarische bedrijven in het plangebied, gelet op de strengere eisen op het gebied van dierenwelzijn en de nevenactiviteiten van deze bedrijven, meer ruimte nodig hebben voor hun activiteiten dan in het onderhavige plan is voorzien. LTO wenst een bouwperceel van 1,5 hectare voor alle agrarische bedrijven, met de mogelijkheid om bij wijzigingsbevoegdheid 2,2 hectare toe te staan. Volgens LTO biedt de op 15 juni 2011 door provinciale staten vastgestelde provinciale verordening "Romte Fryslân" (hierna: de Verordening) mogelijkheden om het bouwperceel te vergroten tot 1,5 hectare en is het ook mogelijk om, onder voorwaarden, waaronder landschappelijke inpassing, een bouwperceel van drie hectare toe te staan. Volgens LTO is het in de gehele provincie Fryslân mogelijk om agrarische bedrijven landschappelijk in te passen. Voorts voert LTO aan dat sommige agrarische bedrijven binnen het plangebied reeds een bouwperceel van de gewenste oppervlakte hebben. Dat andere agrarische bedrijven een kleiner bouwperceel hebben, is volgens LTO in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het onderhavige plan een conserverend plan is. In het bestemmingsplan heeft de raad de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" overgenomen uit het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2008, in het geval dat ter plaatse van deze functieaanduiding al ontwikkelingen zijn voorzien en als deze ontwikkelingen op grond van de huidige wet- en regelgeving mogelijk zijn. In andere gevallen is het bouwperceel niet overgenomen uit dit bestemmingsplan en omvat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" het bouwperceel uit het bestemmingsplan "Buitengebied (Polder) tweede correctieve en partiële herziening" uit 1994. Daarbij is volgens de raad van belang dat uitbreiding van de functieaanduiding met name aan de overzijde van de ontsluitingswegen significante negatieve effecten kan hebben op de aanwezige natuurwaarden.

15.2. Over de door LTO gemaakte vergelijking met percelen waaraan in het plan een bouwperceel van de door LTO gewenste omvang is toegekend, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt stelt dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat in het onderhavige plan het bestaande legale gebruik en de voorziene ontwikkelingen zijn opgenomen. Het bestaande legale gebruik en de voorziene ontwikkelingen verschillen per agrarisch bedrijf. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen LTO heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door LTO genoemde situatie, waarbij bedrijven volgens haar een voldoende groot bouwperceel hebben gekregen, niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

15.3. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft de raad onderzoek gedaan naar de effecten van de uitbreiding van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" voor de natuurwaarden in en om het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het door BügelHajema opgestelde "Natuurrapport bestemmingsplannen Terschelling, Buitengebied Polder en De Duunt" van 10 januari 2013 (hierna: Natuurrapport). In het Natuurrapport staat dat een uitbreiding van de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" kan leiden tot aantasting van de aanwezige natuurwaarden en met name van de Ecologische Hoofdstructuur. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bevindingen onjuist zijn. Naar aanleiding van de uitkomsten van het Natuurrapport heeft de raad ervoor gekozen om geen uitbreiding van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" toe te staan, behalve in gevallen waarin op de gronden met deze functieaanduiding ontwikkelingen waren voorzien. LTO heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat de raad bij deze keuze onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van individuele bedrijven. Evenmin biedt het aangevoerde aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bestaande nevenactiviteiten van agrarische bedrijven en eventuele uitbreidingen van opstallen in verband met dierenwelzijn.

Voor zover LTO een beroep heeft gedaan op de mogelijkheden die de Verordening volgens haar biedt voor een vergroting van het bouwperceel, overweegt de Afdeling dat de raad, ongeacht de mogelijkheden die de Verordening biedt, een eigen afweging dient te maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de uitbreiding van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel". Gelet op het voorgaande heeft de raad deze ruimtelijke afweging gemaakt.

De conclusie is dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de door LTO gewenste uitbreiding van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" niet in het plan op te nemen.

Het betoog faalt.

16. LTO kan zich voorts niet verenigen met artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder e, van de planregels, voor zover deze planregel ten opzichte van het ontwerpplan is gewijzigd door het verwijderen van het woord "Bedrijf", voor zover door deze wijziging geen loonbedrijven meer kunnen worden gevestigd in vrijgekomen agrarische gebouwen. Volgens LTO wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat de oprichting van een loonbedrijf bij het verdwijnen van een agrarisch bedrijf een aantasting van het open polderlandschap tot gevolg heeft. Volgens LTO zal deze aantasting niet optreden, omdat het economisch niet mogelijk is om meerdere loonbedrijven in de Terschellinger Polder te vestigen. Indien dit wel mogelijk zou zijn, dan zouden deze loonbedrijven dermate kleinschalig zijn dat zij gebruik kunnen maken van de vrijgekomen agrarische bebouwing. Volgens LTO is de vrees bij de raad voor het ontstaan van kleine bedrijventerreinen verder niet onderbouwd.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het ruimtelijk ongewenst is dat in het geval van bedrijfsbeëindiging van een agrarisch bedrijf de opstallen worden gebruikt voor een loonbedrijf, omdat dit kan leiden tot het ontstaan van kleine bedrijventerreinen in het open polderlandschap.

16.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder e, van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten dat de bestemming "Agrarisch", uitsluitend voor zover voorzien van de aanduiding "bouwperceel", inclusief het daarbinnen gelegen bouwvlak, wordt gewijzigd in de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", "Bedrijf", of "Dienstverlening - Agrarisch", ten behoeve van een functieverandering van een bouwperceel, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in dat lid.

Ingevolge artikel 3.7, aanhef en onder e, van de planregels, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten dat de bestemming "Agrarisch", uitsluitend voor zover voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel", inclusief het daarbinnen gelegen bouwvlak, wordt gewijzigd in de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" of "Dienstverlening - Agrarisch", ten behoeve van een functieverandering van een bouwperceel, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in dat lid.

16.3. In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad uiteengezet dat hij de komst van loonbedrijven in vrijgekomen agrarische bedrijfsopstallen ruimtelijk ongewenst acht, omdat een loonbedrijf een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan een agrarisch bedrijf en oogt als een klein bedrijventerrein. Dit vloeit volgens de raad voort uit de omstandigheden dat een loonbedrijf gebruik maakt van zwaardere machines, meer verkeersbewegingen genereert dan een agrarisch bedrijf en een groter ruimtebeslag heeft. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Hetgeen is aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder e, van de planregels aldus vast te stellen.

Het betoog faalt.

17. LTO betoogt verder dat het bestemmingsplan ten onrechte niet voorziet in een afwijkingsbevoegdheid waarmee compostering binnen de bestemming "Agrarisch" en buiten het bouwperceel langer dan negen maanden kan worden toegestaan. Volgens LTO wordt in de plantoelichting weliswaar verwezen naar een dergelijke afwijkingsbevoegdheid in de planregels, maar is deze afwijkingsbevoegdheid niet in de planregels opgenomen.

17.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Agrarisch" in ieder geval gerekend 1. het opslaan van mest, hooi- en/of kuilbalen en/of overige landbouwproducten buiten het bouwperceel, anders dan tijdelijk gedurende een periode van negen maanden per jaar en met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestopslag".

Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels en toestaan dat gronden buiten het bouwperceel worden gebruikt voor het opslaan van mest, hooi- en/of kuilbalen en/of overige landbouwproducten, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

[…]

17.2. Het plan voorziet in artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, van de planregels in de door LTO bedoelde afwijkingsbevoegdheid voor het opslaan van mest, hooi- en/of kuilbalen en/of overige landbouwproducten, waaronder naar het oordeel van de Afdeling compost moet worden begrepen, buiten de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel". Het betoog van LTO mist dan ook feitelijke grondslag.

Het beroep van de stichting voor het overige

18. De stichting betoogt dat de mogelijkheid om gedurende negen maanden binnen de bestemming "Agrarisch", maar buiten het bouwperceel, landbouwproducten op te slaan uit artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels, in strijd is met het gemeentelijke beleid, de Verordening en een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voert de stichting aan dat in het door de raad in 2004 vastgestelde Landschapsontwikkelingsplan (LOP) en in het in 2012 door de raad vastgestelde Ontwikkelplan Terschellinger Polder (hierna: het ontwikkelplan) is vastgelegd dat de Terschellinger Polder geen agrarisch productielandschap is, maar ecologische, landschappelijke en toeristische waarde heeft en wordt gekenmerkt door een open polderlandschap. Volgens de stichting leidt de opslag van agrarisch materiaal buiten de bouwpercelen tot aantasting van dit open karakter. Ook de provincie gaat in de Verordening uit van een open polder, aldus de stichting. Verder voert de stichting aan dat de in artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels eenvoudig te omzeilen is door landbouwproducten te verplaatsen en stelt zij dat de handhaving geen prioriteit zal hebben.

18.1. De raad stelt dat met artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels alleen tijdelijke opslag van mest, hooi- en kuilbalen en landbouwproducten mogelijk heeft willen maken. Permanente opslag blijft derhalve verboden en daartegen zal handhavend worden opgetreden, aldus de raad.

18.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Agrarisch" in ieder geval gerekend het opslaan van mest, hooi- en/of kuilbalen en/of overige landbouwproducten buiten het bouwperceel, anders dan tijdelijk gedurende een periode van negen maanden per jaar en met uitzondering van de gronden ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestopslag".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder b, van de Verordening omvat de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of een landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze het plan invulling geeft aan blijvende herkenbaarheid van de kernkwaliteiten per landschapstype zoals aangegeven op en omschreven bij de van deze Verordening deeluitmakende kaart Landschapstypen, waaronder begrepen de kernkwaliteiten in de Nationale Landschappen.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1.1, van de Verordening, voorziet een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur zoals begrensd op de van de Verordening deel uitmakende kaart Natuur in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden, met inbegrip van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en maakt een ruimtelijk plan geen ontwikkelingen mogelijk welke significant negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden.

18.3. In het LOP staat dat de Terschellinger Polder met name wordt gebruikt als agrarisch gebied, dat het gebied weinig aantrekkingskracht heeft op bezoekers van Terschelling en dat landbouw kan leiden tot enige aantasting van de landschappelijke waarden, waaronder blijkens het LOP ook de openheid van het gebied wordt verstaan. In de visie voor het gebied staat in het LOP dat wordt ingezet op een combinatie van landbouw en natuurbeheer in de Terschellinger Polder, waarbij ruimte is voor uitbreiding van de landbouwfunctie. Tegen deze achtergrond ziet de Afdeling in hetgeen de stichting heeft aangedragen geen aanleiding voor het oordeel dat de tijdelijke opslag van landbouwproducten in strijd is met het LOP. Voorts heeft de stichting geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat artikel 3, lid 3.4, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels in strijd is met het ontwikkelplan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het ontwikkelplan uitgaat van het voortbestaan en verdere ontwikkeling van de landbouw in de Terschellinger Polder. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het aangevoerde geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid.

18.4. Het plangebied maakt blijkens kaart 3 bij de Verordening deel uit van het gebied "Jonge Zeepolders", met als kernkwaliteiten openheid en grootschaligheid. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de tijdelijke opslag van mest, hooi- en/of kuilbalen en/of overige landbouwproducten niet leidt tot aantasting van deze kernkwaliteiten, omdat de duur van de opslag beperkt is en gezien de beperkte omvang van de landbouw op Terschelling geen opslag van grote hoeveelheden landbouwproducten te verwachten is. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Voorts maakt het plangebied blijkens de kaart "natuur" bij de Verordening deel uit van de EHS. Dit betekent dat ingevolge artikel 8, lid 8.1.1, van de Verordening het bestemmingsplan moet voorzien in een passende bestemming en geen ontwikkelingen mogelijk mag maken die leiden tot een significant negatief effect op de aanwezige waarden. De stichting heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de tijdelijke opslag van landbouwproducten leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige waarden, dan wel dat door de tijdelijke opslag geen sprake meer is van een passende bestemming. Gelet op het vorenstaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre is vastgesteld in strijd met de Verordening.

18.5. Voor zover de stichting betoogt dat door het toestaan van tijdelijke opslag van mest, hooi- en/of kuilbalen en/of overige landbouwproducten ten onrechte ervan uit is gegaan dat het plangebied een agrarisch productielandschap is en de raad onvoldoende belang heeft gehecht aan de landschapswaarden, in het bijzonder de openheid, van de Terschellinger Polder, overweegt de Afdeling als volgt. Weliswaar kan de polder niet worden beschouwd als een grootschalig agrarisch productielandschap, maar blijkens de planverbeelding is aan een groot deel van de gronden de bestemming "Agrarisch" toegekend, terwijl ook het gemeentelijke beleid uitgaat van het behoud en de ontwikkeling van de landbouw. Voorts heeft de Afdeling hiervoor onder 18.4 reeds geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de tijdelijke opslag van landbouwproducten leidt tot een dusdanige aantasting van de landschapswaarden dat deze op significante wijze worden beïnvloed. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een groter gewicht wordt toegekend aan de belangen van de agrarische bedrijven bij tijdelijke opslag van landbouwproducten.

18.6. Wat betreft de vrees van de stichting dat niet handhavend wordt opgetreden, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft gesteld dat bij een overschrijding van de termijn van negen maanden voor de tijdelijke opslag van landbouwproducten handhavend opgetreden zal worden en dat ook zal worden gecontroleerd op eventuele verplaatsbewegingen. Niet is gebleken dat niet handhavend zou kunnen worden opgetreden.

Het betoog faalt.

Conclusie over de beroepen van LTO, de stichting en [appellant sub 4]

19. In hetgeen LTO, de stichting en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verder ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het bestaande gebruik van het perceel van [appellant sub 4] voor het kamperen bij de boer niet als zodanig is bestemd en voor zover het betreft artikel 1, lid 1.85, van de planregels, voor zover het betreft de zinsnede "dat slechts gedurende een beperkte periode van ten hoogste enige weken (maximaal 3 maanden) op het kampeerterrein aanwezig is", is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De beroepen van LTO, voor zover ontvankelijk, de stichting en [appellant sub 4] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Activiteiten Centrum Terschelling

20. Activiteiten Centrum Terschelling is eigenaar en uitbater van een manege, kantine en hostel aan de Boddelenweg 5. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gericht tegen het plandeel met de bestemming

"Sport - Manege" voor het perceel Boddelenweg 5 en het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel, kadastraal bekend, gemeente Terschelling, sectie K, nummer 1039 (hierna: perceel K 1039).

21. Activiteiten Centrum Terschelling betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Evenmin is gebleken dat de raad door de gemaakte samenvatting van de zienswijzen onvoldoende of onjuist is geïnformeerd over de ingediende zienswijzen.

Het betoog faalt.

22. Activiteiten Centrum Terschelling betoogt verder dat de bestemmingsplanprocedure onjuist is verlopen. Daartoe voert zij aan dat de gemeente eerst voornemens was om voor het onderhavige plangebied een beheersverordening vast te stellen, maar dat vervolgens is besloten om toch een bestemmingsplan vast te stellen. Volgens Activiteiten Centrum Terschelling is dit niet goed gecommuniceerd. Daarbij wijst zij erop dat het onderhavige plan in de zienswijzennota wordt aangeduid als beheerplan.

22.1. Uit de Wro noch uit enig ander wettelijk voorschrift volgt dat de raad, nadat een nota van uitgangspunten voor een beheersverordening is vastgesteld, niet alsnog kan besluiten om een bestemmingsplan in procedure te brengen en vast te stellen. Voorts heeft Activiteiten Centrum Terschelling geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat niet is voldaan aan de wettelijke voorschriften inzake de publicatie en terinzagelegging van het (ontwerp)bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande biedt het betoog geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de totstandkomingsprocedure van het bestemmingsplan onjuist is verlopen.

Het betoog faalt.

23. Activiteiten Centrum Terschelling betoogt dat de raad het bouwvoornemen van Activiteiten Centrum Terschelling voor het ontwikkelen van een stal, een rijhal en twintig recreatiewoningen op perceel K 1039 ten onrechte niet in het plan heeft opgenomen. Daartoe voert zij aan dat het bouwvoornemen voldoet aan provinciaal en gemeentelijk beleid, nu het voornemen inspeelt op de hogere kwaliteitseisen van recreanten en specifiek de groep paardensporters bedient. Verder voert zij aan dat uit het door HanzeConnect uitgevoerde onderzoek "Marktpotentie Manege Terschelling" van 26 oktober 2010 (hierna: het marktonderzoek) blijkt dat er behoefte is aan de door Activiteiten Centrum Terschelling voorgestane ontwikkelingen. Volgens Activiteiten Centrum Terschelling kan door het bouwvoornemen ook de manegefunctie worden behouden voor het eiland, omdat de bestaande manege aan de Boddelenweg 5 niet meer levensvatbaar is. Zij stelt verder dat de manege goed landschappelijk kan worden ingepast, zeker omdat de bestaande manege zal worden gesloopt bij de realisering van haar bouwplan.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de plannen van Activiteiten Centrum Terschelling niet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de raad is het bouwvoornemen van Activiteiten Centrum Terschelling namelijk grootschalig, ongeveer twee keer zo groot als de bestaande manege, en zal het bouwplan leiden tot versnippering van bebouwing, omdat het niet aansluit bij bestaande bebouwing. Verder vreest de raad dat de bouwplannen van Activiteiten Centrum Terschelling ertoe leiden dat paardenstallingsruimte en de manegefunctie voor eilandbewoners verloren gaan, onder meer omdat in de door Activiteiten Centrum Terschelling voorgestane exploitatieopzet de rijhal wordt geschonken aan een stichting en de stallingen zullen worden verkocht aan de eigenaren van de recreatiewoningen.

23.2. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

23.3. Blijkens de verbeelding is aan perceel K 1039 de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het perceel wordt van de bestaande manege aan de Boddelenweg 5 gescheiden door een ander perceel, kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie K, nr. 1490.

Activiteiten Centrum Terschelling heeft in 2011 bouwplannen voor een hippisch centrum, bestaande uit twintig woningen, paardenstallingen, een overdekte rijhal en bijbehorende voorzieningen op perceel K 1039 gepresenteerd. Ter zitting heeft Activiteiten Centrum Terschelling uiteengezet dat de precieze invulling nog niet vaststond, maar dat hierover overleg plaatsvond met de gemeente. In 2012 heeft dit overleg plaatsgevonden, maar dit overleg is vervolgens afgebroken. Wel heeft een landschapsarchitect een inrichtings- en beplantingsplan opgesteld en is een stedenbouwkundige opzet gemaakt. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat hier sprake is van een voldoende concreet initiatief dat tevens tijdig kenbaar is gemaakt. Bovendien heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat nog nader onderzoek noodzakelijk was om het voornemen van Activiteiten Centrum Terschelling te kunnen beoordelen. De raad heeft deze beoordeling van het bouwvoornemen uiteindelijk ook gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat het bouwvoornemen te massaal is, leidt tot versnippering en tot het verdwijnen van stallingsruimte en de manegefunctie voor eilandbewoners.

In het beroepschrift en ter zitting heeft Activiteiten Centrum Terschelling over de door de raad gevreesde grootschaligheid en landschappelijke inbreuk van de bouwplannen voor het hippisch centrum gesteld dat dat deze landschappelijke inbreuk beperkt blijft, nu het bouwplan uitgaat van "lage bebouwing" met een maximale goothoogte van 5 m en een nokhoogte van 9 m en een in het plangebied gebruikelijke bouwstijl. Verder zal het zicht op de voorziene bebouwing worden beperkt door beplanting om de bebouwing. De raad heeft dit niet gemotiveerd betwist. Voorts is ter zitting gebleken dat de raad weliswaar vreest voor versnippering door het bouwvoornemen, maar dat hij daarbij niet heeft onderkend dat perceel K 1039 op beperkte afstand van de dorpskern is gelegen en een manege en een paardenstalling, onder meer gelet op het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet op korte afstand van andere functies kunnen worden gerealiseerd. Voor zover de raad vreest dat het bouwvoornemen ertoe leidt dat stallingsruimte voor de paarden van eilandbewoners verloren gaat, ziet de Afdeling in hetgeen de raad daaromtrent naar voren heeft gebracht geen grond voor die vrees. Daartoe overweegt de Afdeling dat uit het verhandelde ter zitting en de stukken van partijen blijkt dat door het ontbreken van faciliteiten al geruime tijd geen paarden meer worden gestald in de stallingsruimte bij de bestaande manege en het bouwvoornemen van Activiteiten Centrum Terschelling voorziet in voldoende stallingsruimte voor de eilandbewoners. Wat betreft de vrees dat de manegefunctie door de komst van het hippisch centrum zal verdwijnen, overweegt de Afdeling dat de raad deze vrees niet met gegevens heeft onderbouwd. Voorts heeft Activiteiten Centrum Terschelling onder verwijzing naar de exploitatie van de manege op Texel onweersproken gesteld dat het onderbrengen van de rijhal in een stichting financieel haalbaar is.

Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwplannen van Activiteiten Centrum Terschelling ruimtelijk niet aanvaardbaar zijn.

Het betoog slaagt.

24. Het beroep van Activiteiten Centrum Terschelling is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Sport - Manege" voor het perceel Boddelenweg 5. Activiteiten Centrum Terschelling betoogt dat de gemeente de in het gemeenteblad gedane toezegging om in een nieuw bestemmingsplan meer uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande manege op te nemen niet is nagekomen. Volgens Activiteiten Centrum Terschelling is gesteld dat de bouwmogelijkheden zouden worden vergroot en zou het mogelijk moeten worden om personeelsverblijven te realiseren bij de manege.

24.1. In het gemeenteblad van juni 2011 staat in de reactie van het college van burgemeester en wethouders op het verzoek van Activiteiten Centrum Terschelling tot wijziging van het bestemmingsplan het volgende: "Hoewel er ruimte is om de bestaande oppervlakte aan gebouwen (ca. 2000 m2) met 400 m2 uit te breiden, is het lastig om binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak een aparte stal te realiseren. In een nieuw vast te stellen bestemmingsplan kan daarmee rekening gehouden worden. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om enkele personeelsverblijven te realiseren. Deze mogelijkheid wordt namelijk wel geboden bij andere bedrijfs- en detailhandelsbestemmingen." Daargelaten dat het citaat niet kan worden toegerekend aan de raad, maar moet worden toegerekend aan het college van burgemeester en wethouders, volgt naar het oordeel van de Afdeling uit het citaat niet de toezegging dat het bestemmingsplan zal voorzien in de door Activiteiten Centrum Terschelling gewenste mogelijkheden voor de bestaande manege aan de Boddelenweg 5. De raad heeft het bestreden besluit derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt.

25. Activiteiten Centrum Terschelling betoogt verder dat het bestemmingsplan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" meer bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt dan de bestemming "Sport - Manege". Volgens Activiteiten Centrum Terschelling volgt uit het bestemmingsplan dat binnen de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" een groter bouwvlak wordt toegestaan, voorzien de planregels in wijzigingsbevoegdheden voor de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" en is het, in tegenstelling tot de bestemming "Sport - Manege", mogelijk om een zelfstandige bedrijfswoning te bouwen. Verder voert Activiteiten Centrum Terschelling aan dat aan de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", onder andere ten aanzien van hinder ten gevolge van de bestemming, minder verplichtingen zijn verbonden dan aan de bestemming "Sport - Manege", hetgeen volgens haar evenzeer in strijd met het gelijkheidsbeginsel is.

25.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.62, van de planregels wordt onder manegeactiviteiten verstaan bedrijfsactiviteiten met een publieksgericht karakter, die zijn gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en/of pony's (waaronder het lesgeven, de verhuur of het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen).

Ingevolge lid 1.70 wordt onder een paardenhouderij verstaan een agrarisch aanverwant bedrijf dat is gericht op het africhten, het opleiden en het trainen, alsmede het opvangen, stallen en verhuren, waaronder huifkarverhuur van paarden, pony’s en/of ezels.

25.2. Over de door Activiteiten Centrum Terschelling gemaakte vergelijking met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat een paardenhouderij een normaal agrarisch bedrijf, met overeenkomstige bouw- en gebruiksmogelijkheden, betreft, terwijl een manege een recreatief karakter heeft en een publieksaantrekkende functie betreft. In hetgeen Activiteiten Centrum Terschelling heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door Activiteiten Centrum Terschelling aangehaalde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

26. Activiteiten Centrum Terschelling betoogt voorts dat de raad ten onrechte de bestemming "Sport - Manege" aan het perceel Boddelenweg 5 heeft toegekend. Daartoe voert zij aan dat het perceel in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied (Polder) tweede correctieve en partiële herziening" uit 1994 de bestemming "Dagrecreatieve voorzieningen" had, welke bestemming meer mogelijkheden bood dan de bestemming "Sport - Manege". Verder voert Activiteiten Centrum Terschelling aan dat de bestemming "Sport - Manege" niet uitvoerbaar is, omdat het bouwvlak onvoldoende groot is om de voor de manege benodigde voorzieningen, waaronder een mestplaat, een longeercirkel en een buitenrijbak te kunnen realiseren.

26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Sport - Manege" uitvoerbaar is, omdat op het perceel al twintig jaar een manege staat en deze ook als zodanig wordt geëxploiteerd, waarmee volgens de raad, die in dit verband verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2013 en 19 maart 2014, zaken nrs. 201211713/1/A1 en 201306069/1/A1 vaststaat dat het perceel objectief gezien overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt. Verder volgt volgens de raad uit het marktonderzoek niet dat de manege niet rendabel kan worden geëxploiteerd, nu dit onderzoek is gebaseerd op aannames en geen inzicht biedt in de bedrijfsvoering van de bestaande manege.

26.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel Boddelenweg 5 de bestemming "Sport - Manege" toegekend. Op het perceel staat een manegegebouw van ongeveer 2000 m2, met daarin een rijhal, stallingsboxen, een kantine en logiesruimten. Voor deze manege is in het bestemmingsplan een bouwvlak toegekend. Aan het perceel was in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied (Polder) tweede correctieve en partiële herziening" de bestemming "Dagrecreatieve voorzieningen" toegekend met de functieaanduiding "manegegebouw toegestaan".

26.3. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Sport - Manege" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van een manege annex paardenpension met de daarbij behorende voorzieningen, zoals een kantine, logiesruimten en beheerruimten;

b. een bedrijfswoning;

[…]

Ingevolge lid 16.4, aanhef en onder b en e, wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Sport - Manege" in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden, anders dan in de vorm van een kantine, inclusief sanitair en kantoor, en logiesverstrekking ten behoeve waarvan de gezamenlijke oppervlakte respectievelijk ten hoogste 265 m2 en 283 m2 mag bedragen en het gebruik van de gronden en bouwwerken anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie van de in artikel 16, lid 16.1, onder a, bedoelde manegeactiviteiten.

Ingevolge artikel 7, onder A, aanhef en sub 4, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied (Polder) tweede correctieve en partiële herziening" mogen de voor "Dagrecreatieve voorzieningen" bestemde gronden uitsluitend worden gebruikt voor dagrecreatieve voorzieningen, zoals een midgetgolfbaan, ponybaan of een manege, met dien verstande dat op of in de gronden voorzien van de aanduiding "manegegebouw toegestaan" een gebouw mag worden gebouwd ten behoeve van een manege met daarbij behorende voorzieningen, zoals kantines en beheers- en logiesruimten met inachtneming het volgende:

a. de oppervlakte van dit gebouw zal ten hoogste 2000 m2 bedragen;

b. de (nok-)hoogte van dit gebouw zal ten hoogste 8 m bedragen;

c. dit gebouw zal zijn voorzien van een kap, waarvan de helling ten minste 15°.

26.4. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Sport - Manege" minder gebruiksmogelijkheden biedt voor het perceel Boddelenweg 5 dan de vorige bestemming "Dagrecreatieve voorzieningen". De raad heeft deze beperking van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het vorige plan niet gemotiveerd.

In het marktonderzoek staat dat bij de bestaande manege essentiële voorzieningen, zoals een mestplaat, een opslagloods, een buitenrijbak en een longeercirkel, ontbreken en dat de manege hierdoor niet bedrijfsmatig kan worden geëxploiteerd. Uit de stukken volgt ook dat door de ontbrekende faciliteiten typische manegeactiviteiten, waaronder het lesgeven en het trainen van paarden, niet kunnen plaatsvinden. Uit de door Activiteiten Centrum Terschelling overgelegde kaarten volgt verder dat de benodigde voorzieningen niet binnen de bestemming "Sport - Manege" kunnen worden gerealiseerd. De raad heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat het vorenstaande onjuist is. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat de in de planregels voorgeschreven bedrijfsmatige exploitatie van de manege niet mogelijk is en de bestemming "Sport - Manege" dientengevolge economisch niet uitvoerbaar is. Voor zover de raad heeft gewezen op de uitspraken van 29 januari 2013 en 19 maart 2014, overweegt de Afdeling dat de vergelijking met de aldaar besliste situaties niet opgaat, omdat die uitspraken handhavingszaken betreffen, waarin de vraag aan de orde was of het bevoegd gezag, met toepassing van de toverformule, had mogen afzien van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan waardoor een concreet zicht op legalisatie zou bestaan. In het onderhavige geval gaat het echter om een bestemmingsplanzaak en de economische uitvoerbaarheid van de bestemming.

De conclusie is dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gebruiksmogelijkheden voor de bestaande manege aan de Boddelenweg 5 ten opzichte van het vorige plan zijn beperkt en dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht en onderbouwd of de bestemming "Sport - Manege" uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt.

27. In hetgeen Activiteiten Centrum Terschelling heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor perceel K 1039 en het plandeel met de bestemming "Sport - Manege" is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van Activiteiten Centrum Terschelling is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Conclusie en proceskosten

28. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

29. De raad dient ten aanzien van LTO, Activiteiten Centrum Terschelling en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de stichting is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Noord, voor zover gericht tegen artikel 3, lid 3.5, onder e, aanhef en sub 3, van de planregels en het beroep van de vennootschap onder firma V.O.F. Activiteiten Centrum Terschelling, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en artikel 1, lid 1.62 en lid 1.70, van de planregels, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Noord, voor het overige, de vennootschap onder firma V.O.F. Activiteiten Centrum Terschelling, voor het overige, de stichting Stichting Ons Schellingerland en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Terschelling van 24 september 2013, kenmerk 2013/40, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Polder" is vastgesteld, voor zover

a. het betreft artikel 1, lid 1.85, van de planregels, voor zover het betreft de zinsnede "dat slechts gedurende een beperkte periode van ten hoogste enige weken (maximaal 3 maanden) op het kampeerterrein aanwezig is";

b. het betreft artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, van de planregels;

c. daarin het gebruik van de gronden van [appellant sub 4A] en

[appellant sub 4B] voor het kamperen bij de boer niet als zodanig is bestemd;

d. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zover betrekking hebbend op het perceel, kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie K, nummer 1039;

e. het betreft het plandeel met de bestemming "Sport - Manege";

IV. draagt de raad van de gemeente Terschelling op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, ten aanzien van het onder III.a., III.b. en III.c. bedoelde planonderdelen, en binnen 52 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, ten aanzien van de onder III.d. en III.e. genoemde planonderdelen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Terschelling tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Noord;

b. € 606,48 (zegge: zeshonderdzes euro en achtenveertig cent), waarvan een bedrag van € 490,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de vennootschap onder firma V.O.F. Activiteiten Centrum Terschelling, met dien verstande dat betaling aan een van de vennoten bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 1035,54 (zegge: duizendvijfendertig euro en vierenvijftig cent), waarvan een bedrag van € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Terschelling aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Noord;

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor de vennootschap onder firma V.O.F. Activiteiten Centrum Terschelling, met dien verstande dat betaling aan een van de vennoten bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Ons Schellingerland;

d € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, griffier.

w.g. Koeman w.g. Oudenaarden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

568-767.