Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201406591/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5076, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 2 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 voor [wederpartij] herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406591/1/A2.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2014 in zaak nr. 13/2198 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 voor [wederpartij] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover thans van belang, de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 4 maart 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2015, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam aldaar, en [wederpartij], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht;

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 (vanaf 1 januari 2010: eerste lid) geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

2. Uit hetgeen de Belastingdienst/Toeslagen heeft aangevoerd maakt de Afdeling op dat hij slechts opkomt tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit van 4 maart 2013 in stand te laten.

3. Aan de besluiten van 2 oktober 2012, gehandhaafd bij dat van 4 maart 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang in 2009 en 2010 heeft plaatsgehad op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko, en evenmin dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad.

4. [wederpartij] heeft ter zitting naar voren gebracht dat de Afdeling niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk en onpartijdig gerecht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens [wederpartij] volgt uit de uitspraken van de Afdeling in zaken over kinderopvangtoeslag dat de Afdeling vooringenomen is en dat burgers geen gelijkwaardige positie ten opzichte van de Belastingdienst/Toeslagen innemen.

Ingevolge artikel 6 van het EVRM heeft bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De Afdeling is een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan, als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat ingevolge artikel 30b van de Wet op de Raad van State is belast met de berechting van de bij de wet aan haar opgedragen geschillen. De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (bijvoorbeeld het arrest van 6 mei 2003, nrs. 39343/98, 39651/98, 43147/98 en 46664/98 (www.ehcr.co.int), AB 2003, 11) biedt geen grond voor het oordeel dat de Afdeling niet aan de in artikel 6, eerste lid, vermelde vereisten voldoet. Dat [wederpartij] zich niet kan vinden in de jurisprudentie van de Afdeling in vergelijkbare zaken is onvoldoende om de onpartijdigheid van de Afdeling in twijfel te trekken.

5. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 19 december 2012 in zaak nr. 201201769/1/A2 en 16 april 2014 in zaak nr. 201210981/1/A2 (www.raadvanstate.nl), dat de rechtbank heeft miskend dat alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien de vraagouder heeft aangetoond dat alle kosten van kinderopvang zijn voldaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten voor kinderopvang over 2009 en 2010 heeft voldaan, maar wel de uitgekeerde voorschotten ter bestrijding van die kosten heeft aangewend. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank, gelet op voormelde uitspraken van 19 december 2012 en 16 april 2014, ten onrechte geoordeeld dat [wederpartij] aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over dit aangetoonde bedrag, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

5.1. [wederpartij] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit de Wko niet volgt dat de vraagouder, om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen, zelf dient bij te dragen in de kosten van kinderopvang. Uit artikel 5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de Wko volgt dat onder kinderopvangtoeslag wordt verstaan een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wko volgt dat de wetgever heeft gekozen voor financiering door al de betrokkenen van de kinderopvang, waarbij dat deel van de kosten dat resteert nadat de overheid en de werkgever hun aandeel hebben geleverd, voor rekening van de ouders komt (Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3, blz. 20-21). [wederpartij] kan dan ook niet in haar standpunt worden gevolgd. Voor zover [wederpartij] stelt dat het deel van de kosten dat zij niet heeft aangetoond moet worden geacht te zijn geschonken door de gastouder, overweegt de Afdeling dat uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201205528/1/A2; www.raadvanstate.nl) volgt dat doel en strekking van de regeling tot het toekennen van kinderopvangtoeslag zich verzetten tegen het bestaan van een aanspraak op kinderopvangtoeslag bij verrekening van een schenking met de verschuldigde kosten. De gestelde schenking kan [wederpartij] dan ook niet baten.

5.2. De Belastingdienst/Toeslagen voert terecht aan dat de omstandigheid dat [wederpartij] kan aantonen dat zij een deel van de kosten heeft voldaan, niet betekent dat zij aanspraak kan maken op een evenredig deel van het voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2; www.raadvanstate.nl), baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52 van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen evenwel te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Een dergelijke wijziging van afspraken kan ook uit de jaaropgave blijken.

[wederpartij] heeft in bezwaar gegevens verstrekt waaruit de door haar gemaakte afspraken over kinderopvang blijken. Nu de bedragen aan kosten die [wederpartij] blijkens deze gegevens verschuldigd is niet overeenkomen met het bedrag van de daadwerkelijk betaalde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010 en de voorschotten terecht op nihil heeft gesteld. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

Het betoog slaagt.

6. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich reeds gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010. Hetgeen de Belastingdienst/Toeslagen heeft aangevoerd over de overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, behoeft dan ook geen bespreking.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit van 4 maart 2013 in stand te laten. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2014 in zaak nr. 13/2198, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit van 4 maart 2013 in stand te laten;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Verheij w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

85-799.