Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201406825/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Maarssen-dorp woongebied 1e technische herziening" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406825/2/R2

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht (hierna: de raad),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Maarssen-dorp woongebied 1e technische herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [partijen] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2015, waar [appellant] en anderen en de raad, vertegenwoordigd door S.C. Lutters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partijen], bijgestaan door mr. E. Samuels Brusse, advocaat, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan maakt voor bestaande bebouwing op het perceel [locatie A] te Maarssen (hierna: het perceel) een functiewijziging mogelijk van een kantoor naar een woning. Daartoe is aan het perceel de bestemming "Tuin", de bestemming "Wonen" en de aanduiding ‘bouwvlak’ toegekend. Het bouwvlak heeft blijkens de verbeelding bij het plan een oppervlakte van 45 m2.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder b, van de planregels mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

3. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte bewoning op het perceel mogelijk heeft gemaakt door op het perceel de bestemming "Wonen" op te nemen, waardoor het voorheen als kantoor bestemde gebouw kan worden gebruikt als woning. Zij voeren daartoe allereerst aan dat de gemeente Stichtse Vecht altijd heeft verkondigd geen bewoning van tweedelijns bebouwing toe te staan.

3.1. Niet in geschil is dat voor het gebouw waaraan in het plan de bestemming "Wonen" is toegekend reeds in 1964 ingevolge de Wederopbouwwet en in 1975 op grond van de Woningwet vergunning is verleend en dat het gebouw derhalve legaal is opgericht.

In de plantoelichting staat dat het beleid er in het algemeen op is gericht geen medewerking te verlenen aan het oprichten van tweedelijns hoofdbebouwing, omdat dit stedenbouwkundig een ongewenste situatie oplevert. Aan voormeld beleid hebben [appellant] en anderen, nu dat er uitsluitend op gericht is om te voorkomen dat een nieuw hoofdgebouw wordt opgericht achter de achtergevel van andere gebouwen, niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat de raad bewoning van legale reeds bestaande tweedelijns bebouwing, zoals hier aan de orde, niet zou toestaan. Door [appellant] en anderen is voorts niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad anderszins verwachtingen zijn gewekt dat bewoning van de desbetreffende bebouwing op het perceel niet zou worden toegestaan.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen voorts dat de functiewijziging door de toekenning van de woonbestemming leidt tot aantasting van hun privacy omdat vanuit de in het plan toegelaten woning zicht op hun woningen en tuinen bestaat. Zij voeren aan dat hun privacy door het gebruik van de in het plan toegelaten woning ook buiten kantooruren zal worden aangetast.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen onevenredige aantasting van de privacy van [appellant] en anderen met zich brengt. Daartoe stelt de raad in de plantoelichting dat op het perceel reeds vanaf 1964 een gebouw aanwezig is dat gebruikt wordt als kantoor. De oppervlakte van het gebouw is 45 m2 en het gebouw bestaat uit één bouwlaag met een flauwe kap en een maximale goothoogte van 2,6 m en een maximale bouwhoogte van 3,5 m, aldus de plantoelichting. In de plantoelichting staat voorts dat het perceel wordt omringd door ongeveer 2 m hoge schuttingen die het zicht op het gebouw grotendeels ontnemen en dat het gebouw voldoende afstand houdt ten opzichte van de zijdelingse perceelgrenzen. Verder wordt in de plantoelichting opgemerkt dat het gebruik van de bebouwing in de tweede lijn als woning gezien de ligging niet als hinderlijker kan worden gezien dan indien de woning direct binnen het bouwlint was gelegen. In de plantoelichting is geconcludeerd dat de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt geschaad door het gebouw op het perceel te laten gebruiken als woning.

4.2. De afstand van de in het plan toegelaten woning tot de percelen van [appellant] en anderen bedraagt tussen ongeveer 2 m en 20 m. De woningen van [appellant] en anderen staan op afstanden van ongeveer 21 m tot 29 m tot de woning waarop het plan ziet. Dergelijke afstanden tussen woningen zijn in een stedelijke omgeving zoals hier aan de orde niet ongebruikelijk. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft gelet op die afstanden en de voormelde omvang en ligging van de in het plan toegelaten woning, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan toegelaten permanente bewoning van het gebouw geen onevenredige aantasting van de privacy van [appellant] en anderen met zich brengt.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen voorts dat de parkeerdruk als gevolg van het plan verder zal toenemen. Zij voeren aan dat overeenkomstig het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013 (hierna: het GVVP) de parkeernorm van meer dan twee parkeerplaatsen per woning dient te worden gehandhaafd en dat onvoldoende parkeerplaatsen op eigen erf aanwezig zijn.

5.1. De raad heeft blijkens de plantoelichting aansluiting gezocht bij de normen uit het GVVP van twee parkeerplaatsen per woning. De raad is er in dit verband vanuit gegaan dat het perceel over één parkeerplaats op eigen erf beschikt. Daarnaast is er in de directe omgeving voldoende ruimte voor het parkeren van een tweede auto, aldus de plantoelichting. Voorts staat daarin dat voor het voormalige kantoor eveneens de norm van twee parkeerplaatsen gold, zodat de in het plan voorziene functiewijziging op het perceel in dat opzicht geen verslechtering van de parkeersituatie ter plaatse met zich brengt. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval een parkeernorm van meer dan twee parkeerplaatsen per woning had moeten hanteren. Het geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de directe omgeving voldoende parkeergelegenheid aanwezig is en dat niet voor een toename van de bestaande parkeerdruk behoeft te worden gevreesd.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen betogen voorts dat een deel van de bebouwing op het perceel zonder vergunning tot stand is gekomen. Hiertoe voeren zij aan dat de vergunning uit 1964 en 1975 alleen betrekking heeft op een deel van het gebouw. De aanbouw achter en de schuur naast het gebouw zijn volgens [appellant] en anderen zonder vergunning en tot op de perceelgrens gebouwd in strijd met de vereiste afstand van 2 m tot de perceelgrens met [locatie B]. Zij voeren verder aan dat het gebouw geen hoofdgebouw betreft, maar een bijgebouw is en blijft van het hoofdgebouw op het perceel [locatie C], waarvan het perceel ooit is afgesplitst. Vergunningvrij bouwen was om die reden niet van toepassing, aldus [appellant] en anderen.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van de vergunde situatie op het perceel en dat alleen de vergunde bestaande bebouwing als zodanig is bestemd. Het bouwvlak dat in het plan is opgenomen ziet volgens de raad op het gebouw dat een oppervlakte van 45 m2 heeft en waarvoor in 1964 en 1975 een bouwvergunning is verleend. Wat betreft de door [appellant] en anderen gestelde overige aanwezige bebouwing stelt de raad dat de regeling ten aanzien van vergunningvrij bouwen van kracht is.

6.2. Het in de verbeelding opgenomen bouwvlak heeft de oppervlakte en staat op de locatie van het gebouw waarvoor op 4 mei 1964 ingevolge de Wederopbouwwet en op 18 december 1975 ingevolge de Woningwet vergunning is verleend. Nu het bouwvlak aansluit bij de bestaande vergunde situatie op het perceel en het plan niet meer bebouwing mogelijk maakt dan waarvoor vergunning is verleend, mist het betoog feitelijke grondslag.

Voor zover [appellant] en anderen hebben beoogd te betogen dat op het perceel buiten het bouwvlak illegaal is gebouwd, wordt overwogen dat dit een aspect van handhaving betreft. Handhavingsaspecten zijn in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde, aangezien uitsluitend de toetsing van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voorligt.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat het gebouw op het perceel niet voldoet aan het Bouwbesluit. Dit heeft geen betrekking op het plan en kan in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt reeds hierom.

8. [appellant] en anderen betogen verder dat de functiewijziging ertoe leidt dat het perceel onvoldoende bereikbaar is voor hulpdiensten, in het bijzonder voor de brandweer. Zij voeren aan dat niet wordt voldaan aan de door de Veiligheidsregio Utrecht (hierna: VRU) gehanteerde afstand van ten hoogste 40 m tussen de in het plan toegelaten woning en het dichtstbijzijnde opstelpunt.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in dit geval mag worden afgeweken van de door de VRU gehanteerde afstand van 40 m, nu het een bestaande situatie betreft en de in het plan toegelaten woning voldoende bereikbaar is voor hulpdiensten. In dit verband wijst de raad op de resultaten van het overleg met de VRU.

8.2. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft de raad advies gevraagd aan de VRU over de bereikbaarheid van het perceel voor de brandweer. De VRU heeft blijkens de plantoelichting kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben tegen de functiewijziging, omdat onder meer het perceel een directe ontsluiting met de openbare weg heeft en de bluswagen voor deze ontsluiting kan worden opgesteld. Gelet hierop alsmede op de afstand van ongeveer 40,5 m tussen de in het plan toegelaten woning en de openbare weg, geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan toegelaten woning voldoende toegankelijk is voor hulpdiensten.

Het betoog faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Michiels w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

325-823.