Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201408259/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5969, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2011 heeft het college besloten tot invordering bij Fort Oranje van verbeurde dwangsommen van in totaal € 3.000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408259/1/A1.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2014 in zaak nr. 14/1086 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark Fort Oranje B.V.

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2011 heeft het college besloten tot invordering bij Fort Oranje van verbeurde dwangsommen van in totaal € 3.000,00.

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft het college het door Fort Oranje daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 mei 2011 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 augustus 2014 heeft de rechtbank het door Fort Oranje daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 januari 2014 vernietigd, het besluit van 11 mei 2011 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 januari 2014. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Fort Oranje heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Braspenning, werkzaam bij de gemeente, en Fort Oranje, vertegenwoordigd door mr. J.S. Pols, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft Fort Oranje bij besluit van 20 januari 2011 onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00, gelast om binnen zes weken na verzending van dat besluit de op het recreatieterrein Fort Oranje aanwezige logiesverblijven niet langer te gebruiken ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten. Het besluit van 20 januari 2011 is in rechte onaantastbaar.

2. In een rapportage bedrijfsbezoek van 23 maart 2011 is opgenomen dat op die datum door twee toezichthouders van de gemeente een inspectie is uitgevoerd. In het verslagformulier van dit bedrijfsbezoek is onder meer opgenomen dat drie stacaravans, gesitueerd op de kavels 36, 29 en 30 in Vak F, werden bewoond door arbeidsmigranten. Het college heeft daarop in het besluit van 11 mei 2011, dat bij besluit van 30 januari 2014 in stand is gelaten, besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 3.000,00.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat Fort Oranje onweersproken heeft gesteld dat Vak F op 23 maart 2011 in eigendom toebehoorde aan [persoon 1] en dat over de afscheiding van Vak F een bestuursrechtelijk geschil heeft gespeeld waarbij het college Fort Oranje onder oplegging van een dwangsom heeft gelast een slagboom te verwijderen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de Afdeling in de uitspraak van 19 september 2012 in zaak nr. 201108541/1/A3 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft overwogen dat Vak F gedurende de eerste maanden van 2011 geen onderdeel uitmaakte van de inrichting op het recreatieterrein Fort Oranje. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Vak F op 23 maart 2011 tot de door Fort Oranje geëxploiteerde inrichting behoorde en dat daarmee ook onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat Fort Oranje de aan haar opgelegde last heeft overtreden.

3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Fort Oranje de aan haar bij besluit van 20 januari 2011 opgelegde last heeft overtreden, omdat Vak F ten tijde van het bedrijfsbezoek van 23 maart 2011 feitelijk deel uitmaakte van het door haar geëxploiteerde recreatieterrein. Het college voert daartoe aan dat Fort Oranje het altijd feitelijk en juridisch in haar macht heeft gehad om de overtreding te beëindigen. Dat blijkt volgens het college uit de omstandigheid dat, daargelaten bij wie de eigendom van Vak F berustte, nimmer een aparte toegang is gerealiseerd tot dat vak en het evenmin fysiek is afgescheiden van de rest van het recreatieterrein. Bovendien was Vak F altijd vrij te betreden. Volgens het college heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte betekenis toegekend aan hetgeen de Afdeling ten aanzien van Vak F heeft overwogen in de uitspraak van 19 september 2012, omdat de inrichting in de zin van de Wet milieubeheer nooit is gewijzigd. Voorts zijn de door de arbeidsmigranten betaalde huurpenningen ten gunste van Fort Oranje en niet ten gunste van [persoon 1] gekomen, aldus het college. Het voert verder aan dat de arbeidsmigranten hebben verklaard te huren van de parkbeheerder, die werkte in opdracht van [persoon 2], de feitelijk leidinggevende van Fort Oranje.

3.1. Bij de vraag of Fort Oranje de aan haar bij besluit van 20 januari 2011 opgelegde last onder dwangsom heeft overtreden, is in de eerste plaats van belang of deze last mede betrekking heeft op het zogeheten Vak F. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat de bij besluit van 20 januari 2011 aan Fort Oranje opgelegde last, blijkens de aanhef en de daarin gebruikte formulering, betrekking heeft op het recreatieterrein Fort Oranje dat door Fort Oranje wordt geëxploiteerd. Eerst wanneer wordt vastgesteld dat de last mede betrekking heeft op Vak F, komt vervolgens de vraag aan de orde of Vak F ook ten tijde van het bedrijfsbezoek van 23 maart 2011 door Fort Oranje werd geëxploiteerd. Hoewel de rechtbank bij beantwoording van de vraag of de last betrekking heeft op Vak F niet heeft getoetst of Vak F ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom op 20 januari 2011 onderdeel uitmaakte van het recreatieterrein Fort Oranje, maar slechts heeft beoordeeld of dat op 23 maart 2011 het geval was, leidt dat, gelet op het volgende, niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.2. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 19 september 2012 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat Vak F gedurende de eerste maanden van 2011 geen onderdeel uitmaakte van de inrichting op het recreatieterrein Fort Oranje. In hetgeen het college heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden om daarover thans anders te oordelen. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat de aan Fort Oranje opgelegde last onder dwangsom, die ziet op het recreatieterrein Fort Oranje geen betrekking heeft op Vak F, zodat het college naar aanleiding van de tijdens het bedrijfsbezoek van 23 maart 2011 gedane constateringen over Vak F niet bij besluit van 11 mei 2011, dat bij besluit van 30 januari 2014 in stand is gelaten, tot invordering van verbeurde dwangsommen kon overgaan.

Het betoog faalt.

4. Voor zover het college in zijn hogerberoepschrift heeft gewezen op de uitspraken van de Afdeling van 22 januari 2014 in zaak nr. 201207473/1/A4 en 15 oktober 2008 in zaak nr. 200707345/1 en heeft betoogt dat het begrip "overtreder" ruim dient te worden uitgelegd, wordt overwogen dat, anders dan in de aangehaalde uitspraken, in de onderhavige zaak niet de vraag voorligt of Fort Oranje in het besluit van 20 januari 2011 terecht als overtreder is aangemerkt, maar of Fort Oranje de bij besluit van 20 januari 2011 aan haar opgelegde last onder dwangsom, gezien de reikwijdte daarvan, heeft overtreden.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Zundert een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Verheij w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

374-724.