Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1880

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201405938/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:6788, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten die hebben geleid tot een onjuiste toezending van de correspondentie inzake de aangifte erfbelasting van zijn [cliënt] naar de notaris in plaats van naar [appellant], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405938/1/A3.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2014 in zaak nr. 13/8257 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten die hebben geleid tot een onjuiste toezending van de correspondentie inzake de aangifte erfbelasting van zijn [cliënt] naar de notaris in plaats van naar [appellant], afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van dat besluit vernietigd, zich onbevoegd verklaard om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen het deel van het besluit van 21 oktober 2013 waarbij het verzoek is afgewezen krachtens artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) en het beroep tegen voormeld besluit, voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is gehandhaafd, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2015, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.J.G. van Duijn en drs. J.M. Lieshout, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt de bestuursrechter, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, is het eenieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990.

Ingevolge het tweede lid geldt de geheimhoudingsplicht niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van de minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan:

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben, voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

Ingevolge het derde lid kan de minister in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.

2. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat op de desbetreffende documenten artikel 67, eerste lid, van de Awr van toepassing is en deze bepaling een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter is die prevaleert boven de Wob.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door hem gevraagde documenten geanonimiseerd konden worden verstrekt. Hij voert aan dat op www.rechtspraak.nl belastingzaken geanonimiseerd openbaar worden gemaakt. Dat hij weet op wie de desbetreffende documenten betrekking hebben, is geen probleem, aangezien hij kan aantonen dat hij namens zijn cliënt optreedt, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013 in zaak nr. 201204330/1/A3 overwogen dat artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter inhoudt die prevaleert boven de Wob.

Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris desgevraagd verklaard dat er geen documenten inzake de onjuiste verzending zijn. Indien deze er wel zouden zijn, is volgens hem evenwel artikel 67, eerste lid, van de Awr van toepassing.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de door [appellant] gevraagde documenten betrekking hebben op hetgeen uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld, nu de reden waarom een onjuiste verzending van correspondentie zou hebben plaatsgevonden daar ook betrekking op heeft. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat op de desbetreffende documenten, indien deze er zouden zijn, artikel 67, eerste lid, van de Awr van toepassing is, zodat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor toepassing van de Wob geen ruimte is. Of de documenten al dan niet geanonimiseerd kunnen worden verstrekt, ziet voorts op de toepassing van de in artikel 67, eerste lid, van de Awr neergelegde geheimhoudingsplicht. De rechtbank heeft dienaangaande terecht overwogen dat zij ter zake niet bevoegd is en slechts een vordering bij de burgerlijke rechter openstaat.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom, die volgens hem € 370,00 is, wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar vast te stellen.

4.1. De rechtbank heeft, nu [appellant] niet een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, terecht de hoogte van de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom niet vastgesteld. Anders dan [appellant] stelt, volgt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank niet dat een dergelijk verzoek ter zitting is gedaan. [appellant] kan desgewenst de staatssecretaris verzoeken de verschuldigdheid en hoogte van de verbeurde dwangsom bij beschikking vast te stellen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Michiels w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

582-697.