Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
201403867/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:3787, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 26 november 2012 heeft het college aan [appellante sub 1] een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/182
JOM 2015/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403867/1/A2.

Datum uitspraak: 28 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2014 in zaak nr. 13/7731 in het geding tussen:

[appellante sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluiten van 26 november 2012 heeft het college aan [appellante sub 1] een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren, voor zover thans van belang, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 1] heeft een zienswijze ingediend.

[appellante sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2014, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [directeur] en bijgestaan door mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Gent en mr. I. van Weelden, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2. Op 4 oktober 2012 heeft de GGD Den Haag als toezichthouder in de zin van de Wko een incidentele, onaangekondigde inspectie bij [kinderdagverblijf] aan de [locatie] te Den Haag uitgevoerd.

Op basis van de bevindingen uit het daarover door de toezichthouder opgemaakte inspectierapport van 4 oktober 2012 heeft het college op 26 oktober 2012 een boeterapport opgemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 26 november 2012 heeft het college aan [appellante sub 1] op grond van de door de toezichthouder geconstateerde overtredingen een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college de bezwaren tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend.

De rechtbank heeft vooreerst geoordeeld dat [appellante sub 1] bevoegd is tot het instellen van bezwaar en beroep. Voorts heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat [appellante sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 26 november 2012.

3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 augustus 2013 in zaak nrs. 201203891/1/A1 en 201203894/1/A1) bestaat geen aanleiding om in alle gevallen waarin een zogeheten eenmans-B.V. en haar directeur/enig aandeelhouder optreden, het beroep van de een toe te rekenen aan de ander in het geval dat de eenmans-B.V. wel, maar de directeur/enig aandeelhouder niet tijdig beroep heeft ingesteld of omgekeerd. Hiervoor kan slechts in bijzondere gevallen aanleiding zijn en dan alleen indien vaststaat dat de belangen van de een identiek zijn aan die van de ander en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 augustus 2009, in zaak nr. 200807980/1/H1) moet deze uitleg ook van toepassing worden geacht in het geval van bezwaar, nu het de uitleg van bepalingen in hoofdstuk 6 van de Awb betreft die ook zien op het maken van bezwaar.

Het door [directeur] als directeur van het [kindercentrum] gemaakte bezwaar kan worden toegerekend aan [appellante sub 1]. De belangen van [directeur] in haar hoedanigheid van directeur en de belangen van [appellante sub 1] bij de besluiten van 26 november 2012 zijn identiek. Gelet op de besluitvorming, waarbij de besluiten van 26 november 2012 zijn gericht aan [appellante sub 1] ter attentie van [persoon] en het besluit op bezwaar van 13 augustus 2013 is gericht aan [appellante sub 1] ter attentie van [directeur], bestond bij het college geen enkele twijfel over de vraag wie bezwaar maakte. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat [directeur] namens [appellante sub 1] bezwaar heeft gemaakt.

4. [appellante sub 1] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college de bezwaren tegen de besluiten van 26 november 2012, waarbij een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete zijn opgelegd, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert daartoe aan dat [directeur] namens haar op 7 januari 2013 de bezwaarschriften bij de centrale balie van het stadhuis heeft ingediend, maar de receptioniste daarvan geen ontvangstbevestiging heeft verstrekt. Volgens haar worden tijdens vakantieperiodes regelmatig vakantiekrachten ingeschakeld en worden dientengevolge bij de gemeente Den Haag tijdens vakantieperiodes mogelijk niet alle stukken consequent voor ontvangst gestempeld. Bovendien kan zij aantonen dat [directeur] op 7 januari 2013 op het stadhuis is geweest. [directeur] heeft die dag haar rijbewijs opgehaald en door middel van een pintransactie betaald.

4.1. De besluiten van 26 november 2012 zijn op diezelfde datum aangetekend verzonden. De termijn voor het instellen van bezwaar is derhalve op 27 november 2012 aangevangen en op 7 januari 2013 geëindigd. Nu de bezwaarschriften een ontvangststempel hebben met de datum 9 januari 2013, zijn deze buiten de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb en daarmee niet tijdig ingediend.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200604021/1) moet er, wanneer een bezwaarschrift niet wordt verzonden naar de betrokken instantie, maar door de indiener zelf wordt bezorgd, in beginsel van uit worden gegaan dat dit geschrift bij die instantie is ingekomen op de datum die is vermeld op het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien de indiener aannemelijk maakt dat het geschrift eerder is binnengekomen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bezwaarschriften op een eerdere datum zijn ingediend dan die van het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst. [appellante sub 1] heeft daartoe geen begin van bewijs overgelegd. Ter zitting heeft het college toegelicht dat door de centrale balie geen ontvangstbevestigingen wordt verstrekt. Indien door een klant om een ontvangstbevestiging wordt verzocht, is de vaste procedure dat een baliemedewerker de klant begeleidt naar de postkamer waar in bijzijn van die klant direct een stempel op het ingediende stuk wordt geplaatst, aldus het college. Er bestaan geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de baliemedewerker, indien [appellante sub 1] om een ontvangstbevestiging had verzocht, de voornoemde werkwijze niet zou hebben toegepast. Daarmee heeft [appellante sub 1] de mogelijkheid gehad om aannemelijk te maken dat zij de bezwaarschriften tijdig heeft ingediend. Met het door [appellante sub 1] overgelegde bankafschrift van een pintransactie ten behoeve van een rijbewijs heeft zij, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, evenmin aannemelijk gemaakt dat de bezwaarschriften tijdig zijn ingediend, nu daarmee slechts aannemelijk is gemaakt dat [directeur] omstreeks kwart over twaalf op het stadhuis is geweest. Ter zitting heeft zij daarentegen toegelicht dat zij kort na negen uur op het stadhuis de bezwaarschriften heeft ingediend. In dat verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verklaring van [appellante sub 1] over de gang van zaken op het stadhuis op 7 januari 2013 niet consistent en overtuigend is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college de bezwaren van [appellante sub 1] tegen de besluiten van 26 november 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

6. Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Omdat het incidenteel hoger beroep van het college is ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond is, is dit hoger beroep ingevolge artikel 8:112, tweede lid, van de Awb vervallen. Reeds daarom behoeft het geen behandeling. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Wieland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015

97-705.