Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1879

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201404830/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het innemen van een standplaats op de Havenkade te Hindeloopen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404830/1/A3.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hindeloopen, gemeente Súdwest-Fryslân,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2014 in zaak nr. 10/1961 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân (voorheen: Nijefurd).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het innemen van een standplaats op de Havenkade te Hindeloopen afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2010 ingetrokken (lees: herroepen) en de aanvraag alsnog afgewezen.

Bij tussenuitspraak van 3 juli 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het besluit van 9 augustus 2010 te herstellen.

Bij besluit van 6 september 2012 heeft het college het besluit van

9 augustus 2010 ingetrokken en, opnieuw beslissend op het door [appellant] gemaakte bezwaar, de afwijzing van de aanvraag om een vergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 9 augustus 2010 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het tegen het besluit van 6 september 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door H. Grutman en F. Terpstra, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft ter zitting aangevoerd dat [appellant] geen belang meer heeft bij een uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep, omdat hij een nieuwe aanvraag om verlening van een vergunning voor het innemen van een standplaats op de Havenkade te Hindeloopen heeft ingediend en die vergunning op 8 maart 2012 is verleend.

[appellant] heeft gesteld belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat aan hem ten onrechte niet eerder dan op 8 maart 2012 een vergunning is verleend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming en heeft hij, anders dan het college heeft aangevoerd, derhalve belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.

2. Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Nijefurd (hierna: de Apv), zoals die gold tot 1 januari 2012, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden.

Ingevolge het zesde lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde;

(…)

c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

(…).

3. Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft het college de afwijzing van de aanvraag van [appellant] om verlening van een standplaatsvergunning gehandhaafd. Voor zover de aanvraag ziet op het korte gedeelte van de Havenkade heeft het college die in het belang van de openbare orde afgewezen, omdat daar slechts ruimte is voor twee standplaatsen en die plaatsen beide bezet zijn. Het college heeft daartoe verwezen naar het Beheer- en onderhoudsplan Haven Hindeloopen "De Aalde Haiven" (hierna: het plan), vastgesteld door de gemeenteraad op 8 januari 2009.

4. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de openbare orde zich tegen het verlenen van een vergunning verzet en het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak dit gebrek in het besluit van 9 augustus 2010 te herstellen. Gelet hierop heeft de rechtbank bij uitspraak van 29 april 2014 het door [appellant] tegen het besluit van 9 augustus 2010 ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van 29 april 2014 dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 augustus 2010 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Voor het overige oordeelt de Afdeling als volgt.

5. Het college heeft, gevolg gevend aan de tussenuitspraak van de rechtbank, op 6 september 2012 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het college heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat de afwijzing van de aanvraag om een vergunning in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt gehandhaafd. Het college heeft daartoe wederom naar het plan verwezen.

6. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, nu hij in de bezwaarfase niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de nieuwe weigeringsgrond en de commissie hierover evenmin advies heeft gegeven.

6.1. Dit betoog is voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom het betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de afwijzing van de aanvraag ten onrechte heeft gehandhaafd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

7.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 maart 2010 in zaak nr. 200906261/1/H2), geldt bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Het college heeft artikel 5.2.3, zesde lid, onder c, van de Apv aan het besluit van 6 september 2012 ten grondslag gelegd en aldus niet onderkend dat deze Apv op 1 januari 2012 is vervallen. In bijzondere gevallen kan van voormeld uitgangspunt worden afgeweken. Een zodanig bijzonder geval doet zich hier echter niet voor. Het besluit is daarom in strijd met artikel 7:11 van de Awb tot stand gekomen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient ook te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 6 september 2012 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 september 2012 gegrond verklaren en dat vernietigen.

9. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de aanvraag met toepassing van de op 1 februari 2012 inwerking getreden Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Súdwest-Fryslân dient te worden afgewezen, omdat de standplaats in verband met de omgeving niet aan de redelijke eisen van welstand voldoet. Voor zover het college de Afdeling aldus heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 september 2012 in stand blijven, omdat een heroverweging niet tot een ander besluit zal leiden, wordt het volgende overwogen. Bij de beoordeling of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten, moet in beginsel worden uitgegaan van de op dat moment geldende feiten en omstandigheden en het dan geldende recht. Bij het nieuw te nemen besluit dient derhalve te worden uitgegaan van de omstandigheid dat aan [appellant] inmiddels op 8 maart 2012 een standplaatsvergunning is verleend. Dit brengt met zich dat het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 6 september 2012 niet langer zinvol is en het college ook geen nieuw besluit op bezwaar meer hoeft te nemen.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2014, in zaak nr. 10/1961, voor zover daarbij het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 9 augustus 2010 niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep tegen het besluit van 6 september 2012 ongegrond is verklaard;

III. verklaart de door [appellant] bij de rechtbank tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd van 9 augustus 2010, kenmerk u1001549, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân van 6 september 2012, kenmerk U12.009876;

V. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân tot vergoeding van bij K.R. [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Verheij w.g. Larsson-van Reijsen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

344.