Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201407552/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:6474, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2012, met kenmerk 2300.66.732.T.09.0.0801, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2009 herzien naar nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407552/1/A2.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2014 in zaak nr. 13/219 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2012, met kenmerk 2300.66.732.T.09.0.0801, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2009 herzien naar nihil.

Bij besluit van 21 september 2012, met kenmerk 2300.66.732.T.10.0.0201, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2010 herzien naar nihil.

Bij besluit van 21 september 2012, met kenmerk 2300.66.732.T.11.0.0601, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2011 herzien naar nihil.

Bij besluit van 15 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, aldaar werkzaam, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de Belastingdienst/Toeslagen in de gelegenheid te stellen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2012, met kenmerk 2300.66.732.T.10.0.0201, betreffende het jaar 2010, te nemen.

Bij besluit van 15 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 15 november 2012 gewijzigd en het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2010 vastgesteld op € 9.507,00.

Bij brief van 1 mei 2015 heeft [appellant] het hoger beroep voor zover het betreft het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 ingetrokken.

De Afdeling heeft na toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 5 van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Bij de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 15 november 2012, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat in de jaren 2009 en 2011 de kinderopvang niet heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko en dat [appellant] niet heeft aangetoond kosten van kinderopvang te hebben betaald.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij recht heeft op kinderopvangtoeslag over de betreffende jaren omdat hij kosten van kinderopvang heeft betaald en heeft aangetoond wat de hoogte van deze kosten was. De rechtbank heeft voorts onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaring van de gastouder, de facturen en de urenregistratie hiertoe onvoldoende zijn. De rechtbank heeft verder ten onrechte, gelet op de hoogte van de aangetoonde betalingen, de nihilstelling van de kinderopvangtoeslag niet disproportioneel geacht, aldus [appellant].

3.1. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2 en van 9 juli 2014 in zaak nr. 201308922/1/A2, overweegt de Afdeling dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.

Voorschot kinderopvangtoeslag 2009

3.2. Niet in geschil is dat [appellant] voor het jaar 2009 € 8.344,80 aan kosten van kinderopvang heeft gehad. Bij besluit van 5 november 2009 is het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2009 vastgesteld op € 7.505,00. Ten bewijze dat hij kosten heeft gemaakt heeft hij een door hem en de gastouder ondertekende verklaring overgelegd, waarin hij stelt over het jaar 2009 een totaalbedrag van € 10.392,44 contant te hebben betaald aan de gastouder. [appellant] heeft voor de maanden januari tot en met mei 2009 facturen van gastouderbureau [naam bureau] overgelegd voor de betaling van de bemiddelingskosten en een urenregistratie voor de maanden augustus tot en met december 2009. Voorts heeft hij bankafschriften overgelegd waaruit pinopnames blijken en een verklaring van de gastouder dat zij geen problemen heeft gehad met de betaling van de kosten van gastouderopvang. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraken van 18 juli 2012 in zaak nr. 201110532/1/A2 en 14 mei 2014 in zaak nr. 201303070/1/A2), dient een dergelijke verklaring te worden gestaafd met aanvullende bewijsstukken, zoals bankafschriften waaruit de overschrijving blijkt of, bij contante betaling, bewijzen van geldopnames in combinatie met kwitanties. Nu [appellant] geen kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames heeft overgelegd kan aan de verklaring van de gastouder niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Met de overgelegde stukken heeft [appellant] niet aangetoond over 2009 de kosten van kinderopvang te hebben betaald. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2009.

Voorschot kinderopvangtoeslag 2011

3.3. Niet in geschil is dat [appellant] voor het jaar 2011 € 17.640,00 aan kosten van kinderopvang heeft gehad. Bij besluit van 19 januari 2011 is het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2011 vastgesteld op € 15.834,00. Ten bewijze dat hij kosten heeft gemaakt heeft [appellant] voor dat jaar een overzicht van de website van gastouderbureau [naam bureau] voor de betaling van de bemiddelingskosten overgelegd. Voorts heeft hij bankafschriften overgelegd waaruit pinopnames en betalingen aan het gastouderbureau blijken en een verklaring van de gastouder dat zij geen problemen heeft gehad met de betaling van de kosten van gastouderopvang. Zoals onder 3.2 is overwogen dient een dergelijke verklaring te worden gestaafd met aanvullende bewijsstukken, zoals bankafschriften waaruit de overschrijving blijkt of, bij contante betaling, bewijzen van geldopnames in combinatie met kwitanties. Nu [appellant] geen kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames heeft overgelegd kan aan de verklaring van de gastouder niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Met de overgelegde stukken heeft [appellant] niet aangetoond over 2011 de kosten van kinderopvang volledig te hebben betaald. Hij heeft slechts aangetoond een bedrag van € 1.228,00 aan het gastouderbureau te hebben betaald. Nu, zoals onder 3.1 is overwogen, slechts aanspraak bestaat indien is aangetoond dat het volledige bedrag aan kosten is voldaan, betekent de omstandigheid dat [appellant] kan aantonen dat hij een deel van de kosten van kinderopvang over 2011 wel heeft voldaan, niet dat hij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2011.

3.4. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Verheij w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

97-809.