Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201408046/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het college zijn beslissing om op 10, 11 en 14 januari 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het handelen in strijd met de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de met de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang gepaard gaande kosten op [appellante] zullen worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6976
M en R 2015/110 met annotatie van B. Arentz
JOM 2015/538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408046/1/A1.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Purmerend,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 augustus 2014 in zaak nr. 13/5231 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het college zijn beslissing om op 10, 11 en 14 januari 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het handelen in strijd met de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de met de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang gepaard gaande kosten op [appellante] zullen worden verhaald.

Bij besluit van 25 maart 2013 heeft het college de kosten vastgesteld op € 4.924,06 en beslist tot invordering van dit bedrag.

Bij besluit van 15 november 2013 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 17 januari 2013 en 25 maart 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. Hulsman, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.G. van der Eijk, mr. C.C. Agtersloot, beiden werkzaam bij de gemeente, en A.E. Vels, medewerker van de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de burgemeester van Purmerend aan drie gemeentelijke toezichthouders een machtiging tot binnentreden in een woning verleend ten behoeve van onderzoek naar de hygiënische en zindelijke toestand van de woning van [appellante] en eventueel het treffen van spoedeisende maatregelen. Bij besluit van 11 januari 2013 heeft het college een tweede machtiging tot binnentreden verleend voor de ontruiming en het schoonmaken van de woning en eventueel het treffen van maatregelen.

In het besluit van 17 januari 2013, dat bij besluit van 15 november 2013 in stand is gelaten, heeft het college gesteld dat op 10 januari 2013 een bezoek aan de woning van [appellante] is gebracht, waarbij de woning bij afwezigheid van [appellante] is betreden zonder haar toestemming. Tijdens dit bezoek is gebleken dat de woning in een onzindelijke, onhygiënische en brandonveilige staat verkeerde. Geconstateerd is dat "de woning overvol stond met spullen, waaronder paperassen, cd's, boeken, potjes, lege vogelkooien, dozen, manden, tassen, plastic tassen met inhoud, materialen, prullaria, kleding, potjes met cosmetica en voedingsmiddelen. Er zijn "gangpaden" aangelegd. De keuken stond vol met onder andere voedingsmiddelen, keukenspullen, kruidenpotjes, afwasmiddelen en keukengerei. De koelkast en de magnetron waren ernstig vervuild." De aangetroffen situatie werd door het college brandonveilig geacht, onder meer omdat de verzamelde spullen het vluchten kunnen belemmeren. Deze conclusie wordt ondersteund door een brandpreventieadvies van A. Vels van 10 januari 2013 waarin is opgenomen dat de aanwezigheid van de grote hoeveelheid spullen in de woning kan resulteren in een afwijkend brandverloop. Het gevolg daarvan kan zijn dat een eventuele brand niet binnen het brandcompartiment (de woning) blijft. Volgens het brandpreventieadvies staat het brandcompartiment in een directe verbinding met de bovengelegen woning door middel van leidingen die niet brandwerend zijn uitgevoerd, hetgeen door de bouwinspecteur samen met de woningbouwcorporatie nader moet worden onderzocht. Vels heeft geadviseerd de woning te laten ontruimen. Daarbij heeft hij rekening gehouden met de aard van de bebouwing (flatgebouw, vier hoog) en de omstandigheid dat de toetreding voor overige hulpverleners niet mogelijk is.

In het besluit van 17 januari 2013 is opgenomen dat de aangetroffen situatie volgens het college schadelijk was voor de gezondheid en de veiligheid van [appellante] en de omgeving, zodat het heeft het besloten direct over te gaan tot het (laten) ontruimen van de woning door materialen af te voeren op 10 januari 2013. Deze ontruiming is, met toestemming van [appellante], voortgezet op 11 januari 2013. Op 14 januari 2013 is de woning, nogmaals met toestemming van [appellante], opnieuw betreden en is de woning schoongemaakt.

2. Ingevolge artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid, kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 7:21 van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) bevindt een bouwwerk zich in een zodanig zindelijke staat, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid van personen oplevert.

Ingevolge artikel 7:22 is het, onverminderd het bij of krachtens het Bouwbesluit of de Wet milieubeheer bepaalde, verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

3. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij besluit van 10 januari 2013 door de burgemeester en de bij besluit van 11 januari 2013 door het college afgegeven machtigingen tot binnentreden op onjuiste gronden zijn afgegeven, wordt als volgt overwogen. Tegen het besluit van de burgemeester van 10 januari 2013 is door [appellante] geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is en van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Voor zover hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zich richt tegen het besluit van 11 januari 2013, wordt overwogen dat uit de verslagen van binnentreden op 11 en 14 januari 2013 blijkt dat [appellante] op die data toestemming heeft gegeven haar woning te betreden, zodat de machtiging niet is gebruikt door degenen die daarin gemachtigd zijn. Reeds om die reden bestaat geen aanleiding voor een beoordeling van de bij besluit van 11 januari 2013 verleende machtiging tot binnentreden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe voert zij aan dat haar woning zich niet in een onzindelijke, onhygiënische en brandonveilige staat bevond. Volgens [appellante] was de woning schoon en zijn foto's die bij het op 14 januari 2013 opgemaakte verslag van het binnentreden van de woning op10 januari 2013 zijn overgelegd suggestief en selectief. [appellante] betoogt dat er weliswaar veel spullen aanwezig waren, maar dat zij zich bereid heeft getoond deze op te ruimen, zodat geen sprake was van een spoedeisend geval.

4.1. Gelet op de hiervoor onder 1 geschetste omstandigheden, het verslag van binnentreden op 10 januari 2013 en de daarbij gevoegde foto's en het brandpreventieadvies van 10 januari 2013, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in de woning aangetroffen situatie onzindelijk, onhygiënisch en brandonveilig was, zodat het bevoegd was handhavend op te treden wegens strijd met de artikelen 7:21 en 7:22 van het Bouwbesluit. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, wordt echter geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de aangetroffen situatie zodanig spoedeisend was dat ingrijpen zonder enig uitstel noodzakelijk was. Daarbij is van belang dat twee medewerkers van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: de GGD) reeds op 15 oktober 2012 een huisbezoek bij [appellante] hebben afgelegd waarbij is vastgesteld hoe de situatie in de woning van [appellante] was. Vervolgens heeft de GGD tot eind december 2012 getracht in overleg met [appellante] orde op zaken te stellen. Pas toen die pogingen niet het gewenste resultaat brachten, heeft de GGD de gemeentelijke toezichthouders belast met het toezicht op de naleving van de voorschriften uit het Bouwbesluit ingeschakeld, waarna de woning van [appellante] op 10 januari 2013 is binnengetreden door die toezichthouders en terstond is gestart met de toepassing van bestuursdwang. Nu de situatie in de woning van [appellante] reeds vanaf 15 oktober 2012 bij een gemeentelijke instantie bekend was, heeft het college zich in het besluit van 17 januari 2013, dat bij besluit van 15 november 2013 in stand is gelaten, ten onrechte op het standpunt gesteld dat de situatie op 10 januari 2013 zo spoedeisend was, dat een besluit niet kon worden afgewacht en terstond bestuursdwang moest worden toegepast. Dat de gemeentelijke toezichthouders de situatie in de woning pas op 10 januari 2013 konden opnemen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat de GGD een gemeentelijke instantie is en onzorgvuldigheden in de communicatie tussen de GGD en de toezichthouders belast met het toezicht op de naleving van voorschriften uit het Bouwbesluit niet voor rekening van [appellante] kunnen worden gebracht. Gelet hierop heeft de rechtbank het college ten onrechte bevoegd geacht om op basis van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb handhavend op te treden.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 november 2013 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, voor zover het betrekking heeft op de toepassing van spoedeisende bestuursdwang, voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 5:31, tweede lid, van de Awb. Het besluit van 17 januari 2013 dient te worden herroepen. Gelet hierop komt het besluit van 15 november 2013, voor zover het betrekking heeft op de kostenbeschikking eveneens voor vernietiging in aanmerking en dient het besluit van 25 maart 2013 eveneens te worden herroepen.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 augustus 2014 in zaak nr. 13/5231;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 15 november 2013, kenmerk 1102689;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 17 januari 2013, kenmerk 1060936, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 25 maart 2013, kenmerk 1068973;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.940,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Verheij w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

374-724.