Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1872

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201409001/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:7803, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [appellante] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.973,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409001/1/A2.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2014 in zaak nr. 13/7229 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [appellante] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.973,00.

Bij besluit van 27 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 september 2013 vernietigd, het tegen het besluit van 7 november 2012 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C van de Werken, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen vangt, in afwijking van artikel 6:8 van de Awb, de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet binnen de termijn van zes weken een bezwaarschrift tegen het besluit van 7 november 2012 heeft ingediend. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat deze termijn eindigde op 19 december 2012 en dat het per post verzonden bezwaarschrift van [appellante] volgens het daarop geplaatste stempel eerst op 27 december 2012 door de Belastingdienst/Toeslagen is ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat ontvangen post op dezelfde dag van een ontvangststempel wordt voorzien. De dienst heeft de rechtbank desgevraagd medegedeeld dat hij het bezwaarschrift niet tevens per fax heeft ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] er niet in is geslaagd de door haar gestelde verzending van het bezwaarschrift per fax op 17 december 2012 aannemelijk te maken. Voorts zijn de door [appellante] gestelde omstandigheden geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, aldus de rechtbank. Zij is daarom tot de slotsom gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [appellante] ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Uit de omstandigheid dat het per post verzonden bezwaarschrift eerst op 27 december 2012 door de Belastingdienst/Toeslagen van een stempel is voorzien, kan volgens [appellante] niet worden afgeleid dat het stuk eerst op die datum door de dienst is ontvangen. [appellante] voert aan dat de administratieve verwerking van post bij de Belastingdienst/Toeslagen waarschijnlijk vertraging heeft ondervonden als gevolg van drukte in verband met de kerstdagen.

3.1. De termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 7 november 2012 is aangevangen op 8 november 2012 en eindigde op 19 december 2012. Het door [appellante] per post verzonden bezwaarschrift is gedagtekend op 17 december 2012. Het bezwaarschrift vermeldt dat het is verzonden naar het in het besluit van 7 november 2012 opgegeven adres, Postbus 55000 te Enschede. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bij hem ingekomen bezwaarschrift voorzien van het stempel "B/CFD Unit Documenthuishouding 27 DEC. 2012 Centrale invoer Heerlen".

3.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd uiteengezet dat bezwaren betreffende een betalingsregeling door kantoor Enschede worden afgehandeld en dat aldaar binnengekomen bezwaarschriften doorgaans eerst worden doorgestuurd naar kantoor Heerlen om daar administratief te worden verwerkt. De vertegenwoordiger van de Belastingdienst/Toeslagen heeft verder ter zitting bij de Afdeling erkend dat het in deze situatie zeer waarschijnlijk is dat het bezwaarschrift op een eerdere dag dan 27 december 2012 op het voornoemde adres in Enschede is ontvangen, nu het bezwaarschrift na ontvangst in Enschede moet zijn doorgestuurd naar kantoor Heerlen en het stuk eerst daar van een datumstempel is voorzien. Anders dan de rechtbank uit de hiervoor onder 2 vermelde toelichting van de Belastingdienst/Toeslagen heeft afgeleid, kan in dit geval uit het op het bezwaarschrift geplaatste ontvangststempel dus niet de datum van ontvangst van dit stuk door de dienst worden opgemaakt.

Nu de kantoren van de dienst op 25 en 26 december 2012 waren gesloten, moet het ervoor worden gehouden dat het bezwaarschrift van [appellante] op 24 december 2012 of eerder door de Belastingdienst/Toeslagen is ontvangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.3. Het door PostNL op de enveloppe aangebrachte datumstempel is uitgangspunt bij het vaststellen van de datum van terpostbezorging van het bezwaarschrift (zie in dit verband de uitspraak van 10 december 2008 in zaak nr. 200706330/1).

Bij brief van 24 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de Afdeling desgevraagd te kennen gegeven dat de enveloppe, waarin [appellante] haar bezwaarschrift heeft verzonden, niet is bewaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201206361/1/A3 overweegt de Afdeling dat de gevolgen van het in het ongerede raken van de enveloppe onder deze omstandigheden voor rekening van de Belastingdienst/Toeslagen dienen te blijven.

3.4. Het bezwaarschrift is binnen de bezwaartermijn gedateerd. Gelet op hetgeen onder 3.2 en 3.3 is overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat het bezwaarschrift uiterlijk op 24 december 2012 - derhalve binnen een week na afloop van de bezwaartermijn - door de Belastingdienst/Toeslagen is ontvangen en voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Zij heeft het bezwaar ten onrechte alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over haar pogingen het bezwaarschrift tevens per fax te verzenden, behoeft geen bespreking.

3.5. Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De rechtbank is aan een inhoudelijke behandeling van het beroep niet toegekomen. Partijen hebben ter zitting de Afdeling verzocht de zaak niet inhoudelijk af te doen. De Afdeling zal daarom de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist.

5. In verband met die behandeling van het beroep door de rechtbank merkt de Afdeling op dat de Belastingdienst/Toeslagen in zijn verweerschrift van 22 augustus 2014 het standpunt heeft ingenomen dat het ontstaan van de toeslagschuld, voor zover dit de teruggevorderde kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2008 betreft, niet te wijten is aan opzet of grove schuld van [appellante] of haar partner. De Afdeling geeft de Belastingdienst/Toeslagen in overweging te bezien of dit aanleiding geeft het bij besluit van 27 september 2013 gehandhaafde termijnbedrag lager vast te stellen en zo nodig een gewijzigd besluit op bezwaar te nemen, dat door de rechtbank op voet van artikel 6:19 van de Awb bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken.

6. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2014 in zaak nr. 13/7229;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Michiels w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

710.