Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201310963/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:5031, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310963/1/A3.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 november 2013 in zaak nr. 13/3372 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (lees: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2015, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.O. Nieuwpoort, werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de indiener van het beroepschrift voor de behandeling van het beroep griffierecht verschuldigd.

Ingevolge het vierde lid deelt de griffier de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.

Ingevolge het vijfde lid dient het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.

Ingevolge het zesde lid is, indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat uit de administratie van de rechtbank niet is gebleken dat het griffierecht binnen de gestelde termijn is voldaan. Van enige omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat [appellant] redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Daartoe voert hij aan dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. De rechtbank is volgens [appellant] ten onrechte voorbijgegaan aan zijn brieven van 17 juli 2013 en 15 oktober 2013 en de daarbij ingebrachte stukken. Voorts had rechtbank hem bij afwijzing van zijn beroep op betalingsonmacht een nadere termijn moeten gunnen voor het alsnog betalen van het griffierecht, aldus [appellant].

4. Bij brief van 18 juli 2013 heeft de rechtbank [appellant] medegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de uitnodiging om het verschuldigde griffierecht van € 160,00 te voldoen. Hij wordt in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag binnen 28 dagen na dagtekening van deze brief, derhalve uiterlijk op 15 augustus 2013, alsnog te voldoen. Hem is tevens medegedeeld dat, indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig zou zijn betaald, zijn beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

Niet in geschil is dat het bedrag niet binnen de aldus gestelde termijn is voldaan. Bij brieven van 17 juli 2013 en 15 oktober 2013 heeft [appellant] een beroep gedaan op betalingsonmacht. Hij heeft daarbij twee beslissingen overgelegd van de rechtbank Gelderland van 3 april 2013 en 24 juli 2013, beide in het kader van een verzet tegen een tenuitvoerlegging van een door een officier van justitie op grond van artikel 26 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften uitgevaardigd dwangbevel, waarbij het draagkrachtverweer van [appellant] gegrond is verklaard. Hij biedt voorts aan nader bewijs over te leggen, zoals beslagen, water- en energieafsluitingen en boetes. Gelet hierop had de rechtbank [appellant] in de gelegenheid moeten stellen zijn beroep op betalingsonmacht nader te onderbouwen. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Het betoog slaagt reeds daarom. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling allereerst het beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht in beroep beoordelen.

6. In de door [appellant] in hoger beroep aangevoerde omstandigheden en de ter motivering daarvan ingebrachte stukken ziet de Afdeling aanleiding het beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht in beroep toe te wijzen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk is.

7. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 4 wordt de verzoeker, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

8. [appellant] heeft bij brief van 6 januari 2012 naar aanleiding van een aan hem opgelegde boetebeschikking een verzoek om informatie op grond van de Wob ingediend. Hij heeft verzocht om de foto op grond waarvan de boetebeschikking is genomen.

Bij brief van 10 februari 2012 heeft de minister op het Wob-verzoek gereageerd. Daarbij heeft hij medegedeeld dat de gevraagde gegevens niet onder hem berusten. De minister heeft het verzoek om informatie op grond van artikel 4 van de Wob doorgestuurd naar de korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland (thans: de korpschef van politie), een bestuursorgaan.

Bij brief van 17 maart 2012 heeft [appellant] de minister in gebreke gesteld. Voorts heeft [appellant] de minister bij brief van 16 juli 2012 verzocht een dwangsom vast te stellen.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bij brief van 10 februari 2012 op het Wob-verzoek heeft beslist en hij derhalve geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet-tijdig beslissen op het Wob-verzoek van [appellant].

9. [appellant] betoogt dat de minister ten onrechte heeft geweigerd een dwangsom vast te stellen. Daartoe voert hij aan dat de brief van 10 februari 2012 geen besluit op zijn Wob-verzoek is, maar een mededeling dat het verzoek is doorgestuurd.

10. De Afdeling is van oordeel dat de in de brief van 10 februari 2012 gedane mededeling is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het rechtsgevolg van deze mededeling is het niet inwilligen van het verzoek om informatie. Derhalve heeft de minister bij brief van 10 februari 2012 reeds op het Wob-verzoek van [appellant] beslist.

De minister heeft zich in het besluit op bezwaar van 8 mei 2013 terecht op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet-tijdig beslissen op het Wob-verzoek van [appellant].

Het betoog faalt.

11. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 mei 2013 alsnog ongegrond verklaren.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 november 2013 in zaak nr. 13/3372;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Nell

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

597.