Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
201408465/1/A2
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RVS:2014:3761, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 22 oktober 2014, in zaak nr. 201303360/2/A3, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 14 mei 2012 vernietigd. Voorts heeft de Afdeling daarbij met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak inzake schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408465/1/A2.

Datum uitspraak: 17 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade (artikel 8:73, eerste en tweede lid, (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij uitspraak van 22 oktober 2014, in zaak nr. 201303360/2/A3, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 14 mei 2012 vernietigd. Voorts heeft de Afdeling daarbij met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak inzake schadevergoeding.

Desgevraagd heeft [appellant] het verzoek schriftelijk nader toegelicht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de behandeling ter zitting voortgezet op 27 mei 2015, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Kabbouti en mr. D.E.S. Tomeij, beiden werkzaam bij de Raad voor Rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, zoals dit luidde tot 1 juli 2013, kan de Afdeling indien zij het hoger beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2. [appellant] heeft de Afdeling verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de door haar gestelde schade als gevolg van het besluit van 14 mei 2012. Bij dit besluit heeft de minister de weigering gehandhaafd [appellant] in het Register voor beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register) in te schrijven als tolk in de talencombinaties Nederlands-Italiaans en Nederlands-Russisch. Het verzoek betreft een vergoeding voor gederfde inkomsten, omdat zij vanaf 1 januari 2009 tot 14 oktober 2014 niet als tolk heeft kunnen werken. Ook verzoekt [appellant] om een vergoeding van kosten die het gevolg zijn van de procedures die zij in bezwaar en beroep heeft moeten voeren.

3. [appellant] verzoekt om een vergoeding voor gederfde inkomsten van € 35.200,00. Daartoe stelt zij dat zij na beëdiging door de rechtbank op 14 oktober 2014 per maand gemiddeld € 533,00 heeft verdiend voor tolkwerkzaamheden in opdracht van het Openbaar Ministerie. Over een periode van 5,5 jaar komt dit neer op € 35.200,00.

4. De minister betoogt dat [appellant] naar aanleiding van de tussenuitspraak nogmaals in de gelegenheid is gesteld met nadere stukken aan te tonen dat zij voldoet aan de competenties genoemd in artikel 3 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). In zoverre is de door haar gestelde schade niet het gevolg van het besluit van 14 mei 2012.

Voorts heeft [appellant] eerst op 10 februari 2011 verzocht om inschrijving in het register als tolk in de talencombinaties Nederlands-Italiaans en Nederlands-Russisch, zodat de gestelde schadeperiode reeds daarom niet op 1 januari 2009 kan aanvangen. Tot slot heeft [appellant] haar schade niet voldoende onderbouwd.

5. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201303360/1/A3 overwogen dat in het aan het besluit van 14 mei 2012 ten grondslag liggende advies van de commissie btv de werkervaring van [appellant] gedurende de periode 2003 tot 2007 en haar werkervaring als simultaantolk in andere talencombinaties ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. De Afdeling heeft de minister vervolgens opgedragen de aanvraag van [appellant] tot inschrijving in het register opnieuw ter advisering voor te leggen aan de commissie btv. Bij het nemen van een nieuw of gewijzigd besluit dienden onder meer alle feiten en omstandigheden die in deze procedure door [appellant] naar voren zijn gebracht te worden betrokken, waaronder de opleiding, competenties en opgedane ervaring van [appellant]. In het bijzonder diende aandacht te worden besteed aan de door [appellant] overgelegde verklaringen van 11 en 13 oktober 2011 van de voorzitter van de stichting Stichting Nationale Examens Vertaler en Tolk (hierna: de SNEVT) en van de coördinator van NIOW Advies en Opleiding (hierna: het NIOW). Uit die verklaringen en de in hoger beroep overgelegde nadere verklaringen van 25 april 2013 daarover, volgt dat zij bij de SNEVT en het NIOW werkervaring heeft opgedaan die betrekking heeft op haar tolkvaardigheden en dat zij bij deze organisaties was betrokken op grond van haar tolkvaardigheid in de betrokken talencombinaties.

De verklaringen van 11 en 13 oktober 2011 zijn voor het nemen van het besluit van 14 mei 2012 overgelegd. Reeds in het advies van de bezwaarcommissie van 27 april 2012 is overwogen dat het op de weg van de commissie btv had gelegen om daarover nadere informatie op te vragen. Bij besluit van 8 juli 2014 is [appellant] met ingang van 9 juli 2014 in het register ingeschreven als tolk in de talencombinaties Nederlands-Italiaans en Nederlands-Russisch. Anders dan de minister betoogt, liggen aan dit besluit geen nieuwe door [appellant] verstrekte gegevens of informatie ten grondslag. Voor zover de minister doelt op de uitgebreide toelichting van 25 mei 2014 die [appellant] heeft gegeven op haar langdurige, specialistisch werkervaring, is van belang dat het aan de minister was geweest om [appellant] voor het nemen van het besluit van 14 mei 2012 desgewenst in de gelegenheid te stellen deze toelichting te verstrekken.

Onder deze omstandigheden bestaat er, anders dan de minister betoogt, geen grond voor het oordeel dat schade, geleden als gevolg van het besluit van 14 mei 2012, niet in zodanig verband met dat besluit staat, dat zij niet aan de minister, als een gevolg van dat besluit, kan worden toegerekend.

6. Anders dan [appellant] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de schadeperiode aanvangt op 1 januari 2009. In de uitspraak van 22 oktober 2014 is het besluit van 14 mei 2012 onrechtmatig geoordeeld en is het besluit van 19 mei 2011, genomen op de aanvraag van 10 februari 2011, niet herroepen. Uitgaande van de hypothetische situatie, waarin de minister bij besluit van 14 mei 2012 [appellant] op 15 mei 2012 in het register zou hebben ingeschreven als tolk in de betrokken talencombinaties, had [appellant], indien wordt aangesloten bij de latere feitelijke gang van zaken, vanaf 21 augustus 2012 als beëdigd tolk werkzaam kunnen zijn. Daarbij wordt de tijd in aanmerking genomen die is verstreken na inschrijving in het register, het verzoek tot beëdiging bij de rechtbank en het toesturen van de akte aan bureau btv en het toegevoegd krijgen van de status beëdigd in het register. De schadeperiode eindigt op 21 oktober 2014, de dag waarop de status beëdigd is toegevoegd in het register en [appellant] derhalve werkzaam kon zijn als beëdigd tolk in de betrokken talencombinaties. De schadeperiode vangt derhalve aan op 21 augustus 2012 en eindigt op 21 oktober 2014.

7. [appellant] heeft door het overleggen van concrete gegevens over uitgevoerde opdrachten en daardoor gegenereerde inkomsten bij brieven van 5 december 2014 en 14 april 2015 aangetoond dat zij gemiddeld een bedrag van € 480,00 per maand heeft verdiend nadat zij als beëdigd tolk is ingeschreven in het register. Anders dan de minister betoogt, acht de Afdeling het voldoende aannemelijk, gelet op het aantal opdrachten en de daarmee gepaard gaande tijdsbesteding, dat het hierbij gaat om aanvullende inkomsten die naast andere inkomsten verworven konden worden. Van 21 augustus 2012 tot en met 21 oktober 2014, een periode van 26 maanden, komt dit neer op een in redelijkheid toe te kennen van vergoeding voor gederfde inkomsten van € 10.000,00. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] vanwege onder meer vakantie niet gedurende de gehele periode opdrachten zou hebben kunnen accepteren.

8. Voor zover [appellant] alsnog een vergoeding wenst voor de door haar gemaakte kosten in het kader van de bezwaarschriftprocedure, is van belang dat daartoe, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, geen grond bestaat nu de besluiten van 19 mei 2011 niet zijn herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid.

9. Voor zover [appellant] een hogere vergoeding wenst voor de door haar gemaakte kosten in het kader van de beroepsprocedure, is van belang dat vergoeding daarvan slechts met toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan plaatsvinden. Voor vergoeding van deze kosten langs de weg van artikel 8:73 van de Awb is geen plaats. Bij uitspraak van 22 oktober 2014 heeft de Afdeling de minister veroordeeld in de door [appellant] gemaakt proceskosten in beroep en hoger beroep. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte in de (hoger)beroepsprocedure niet het volledige bedrag voor proceskosten voor vergoeding in aanmerking komt, treft dit niet het gewenste doel. Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, zoals neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht, is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:73 van de Awb geen plaats.

10. Voor zover [appellant] verzoekt om vergoeding van schade voor gederfde inkomsten, komt aan haar, gelet op hetgeen onder 7. is overwogen, een vergoeding van € 10.000,00 toe.

11. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan [appellant] een schadevergoeding van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen;

II. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

III. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de door [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 26,40 (zegge: zesentwintig euro en veertig cent).

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Hagen w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015

299.