Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201310842/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:19110, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310842/1/V2.

Datum uitspraak: 4 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 november 2013 in zaak nr. 13/13392 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief van 22 december 2014 schriftelijk inlichtingen gegeven.

Het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep tegen die brief heeft de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling. Het beroepschrift is aangehecht.

Desgevraagd heeft de vreemdeling bij brief van 13 maart 2015 gereageerd op de brief van 22 december 2014.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid van haar kan verwachten dat zij zich onder de bescherming stelt van de Zuid-Koreaanse autoriteiten. Hiertoe voert zij aan dat uit de door haar overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat in Zuid-Korea spionnen actief zijn uit Noord-Korea waardoor een reëel risico bestaat dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte raken van haar vestiging in Zuid-Korea. Daardoor zullen haar in Noord-Korea verblijvende familieleden problemen ondervinden, aldus de vreemdeling.

1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 18 juli 2014 in zaak nr. 201404877/1/V2 dient de staatssecretaris bij het beantwoorden van de vraag of in redelijkheid van een Noord-Koreaanse vreemdeling kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming van de Zuid-Koreaanse autoriteiten stelt, alle door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden te betrekken, waaronder de mogelijke gevolgen die vestiging van de vreemdeling in Zuid-Korea kan hebben voor zijn in Noord-Korea achtergebleven familieleden.

1.2. In het besluit van 22 mei 2013, zoals toegelicht ter zitting bij de rechtbank, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling voldoet aan de vereisten die in de 'Nationality Act' worden gesteld om van rechtswege bij geboorte de Zuid-Koreaanse nationaliteit te verkrijgen.

Volgens de staatssecretaris voeren de Zuid-Koreaanse autoriteiten bij het vaststellen van de Zuid-Koreaanse nationaliteit verder een veiligheidsonderzoek uit. Naar aanleiding van het verzoek van de Afdeling om schriftelijk inlichtingen te geven over de gevolgen die de uitkomst van dit veiligheidsonderzoek kan hebben voor de nationaliteit van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris bij brief van 22 december 2014 toegelicht dat deze uitkomst in geen geval tot gevolg kan hebben dat de vreemdeling haar van rechtswege bij geboorte verkregen Zuid-Koreaanse nationaliteit verliest. Hiertoe heeft hij in die brief verwezen naar een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 september 2014, kenmerk CAT-8/14.

De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat slechts een geringe kans bestaat dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zullen raken van de vestiging van de vreemdeling in Zuid-Korea. Bij dit standpunt heeft hij betrokken dat uit de beschikbare stukken, waaronder de brief van brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 november 2013, kenmerk DCM/MA-2013/257 (hierna: de brief van 6 november 2013), weliswaar blijkt dat zich in Zuid-Korea spionnen bevinden uit Noord-Korea, maar dat daaruit niet valt op te maken dat de Noord-Koreaanse autoriteiten bekend zullen raken met elke Noord-Koreaan die zich in Zuid-Korea vestigt.

1.3. In het door de rechtbank doorgezonden beroepschrift en in haar brief van 13 maart 2015 heeft de vreemdeling gereageerd op voormelde brief van 22 december 2014.

1.4. Anders dan de vreemdeling in haar reactie betoogt is de brief van 22 december 2014 geen besluit. Met die brief zijn immers, in aanmerking genomen dat het besluit van 22 mei 2013 door de rechtbank niet is vernietigd, geen rechtsgevolgen in het leven geroepen. Reeds hierom kan de vreemdeling ook niet worden gevolgd in haar betoog dat de staatssecretaris gehouden was een nieuw voornemen uit te brengen.

1.5. Ter toelichting op haar betoog dat een reëel risico bestaat dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte raken van haar vestiging in Zuid-Korea, heeft de vreemdeling verwezen naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 14 maart 2013 met bijlagen en de brief van 6 november 2013.

1.6. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat de Noord-Koreaanse autoriteiten bijhouden welke Noord-Koreanen het land hebben verlaten. Dit staat echter niet zonder meer in de weg aan het tegenwerpen van het beschermingsalternatief in Zuid-Korea. Voor beantwoording van de vraag of dit alternatief kan worden tegengeworpen is immers niet van belang welke gevolgen zijn verbonden aan het verlaten van Noord-Korea, maar uitsluitend welke gevolgen zijn verbonden aan vestiging in Zuid-Korea.

1.7. Uit de door partijen overgelegde stukken kan weliswaar worden opgemaakt dat in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen actief zijn, maar daaruit kan, mede gelet op het grote aantal inwoners van Zuid-Korea, niet worden opgemaakt dat het gaat om aantallen die op zichzelf duiden op een reëel risico op ontdekking van iedere uit Noord-Korea afkomstige vreemdeling die zich in Zuid-Korea vestigt.

De vreemdeling heeft geen individuele omstandigheden gesteld waarom het risico op ontdekking in haar geval wel reëel is.

Reeds hierom heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat de kans dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte geraken van de vestiging van de vreemdeling in Zuid-Korea, als gevolg waarvan haar familieleden problemen zullen ondervinden, niet zodanig is dat de staatssecretaris van de vreemdeling niet in redelijkheid kan verwachten dat zij zich onder de bescherming stelt van de Zuid-Koreaanse autoriteiten.

De grief faalt.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bosma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2015

284/572-753.