Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201502003/1/R2 en 201502003/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014, met kenmerk 14.500095, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oudenrijn, De Meern" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502003/1/R2 en 201502003/2/R2.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te De Meern, gemeente Utrecht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014, met kenmerk 14.500095, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oudenrijn, De Meern" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Douma, en de raad, vertegenwoordigd door drs. B van der Padt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan voor zover dit betrekking heeft op het perceel aan de [locatie] te De Meern, nu hier weliswaar twee woningen aaneen mogen worden gebouwd, maar niet mag worden afgeweken van de geldende maximale goothoogte van twee meter. Hij voert aan dat de raad beoogd heeft de bevoegdheid die is toegekend om ter plaatse voor een vrijstaande woning af te wijken van de maximale goothoogte eveneens toe te kennen in geval hier twee woningen aaneen worden gebouwd.

4. Ingevolge artikel 13, lid 13.2.1, onder d, van de planregels mag ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' de bestaande vrijstaande woning uitgebreid worden tot of vervangen worden door een twee-onder-eenkapwoning.

Ingevolge lid 13.2.1, onder f, mogen de bouw- en goothoogte van het hoofdgebouw niet meer bedragen dan respectievelijk 6 en 3 meter, tenzij anders is aangegeven.

Ingevolge lid 13.4, onder a kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde vermeld in artikel 13.2.1 onder e. [lees: f] voor toegelaten goot- en bouwhoogte tot maximaal 6 meter en respectievelijk 10 meter indien sprake is van een vrijstaande woning indien dit passend is binnen het algehele bebouwingsbeeld.

In de verbeelding is voor het plandeel dat betrekking heeft op de Rijkssstraatweg 69 de bestemming "Wonen" opgenomen, is hierbij een maatvoering met een maximum goothoogte van 2 meter opgenomen en bevat het bouwvlak de bouwaanduiding "twee-aaneen".

5. De raad heeft het plan gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan teneinde te voldoen aan een verzoek van [appellant] om twee woningen te mogen bouwen aan de [locatie]. Hiertoe is in de regels opgenomen dat ter plaatse van de bouwaanduiding "twee-aaneen", de bestaande vrijstaande woning mag worden uitgebreid of vervangen door een twee-onder-eenkapwoning en is in de verbeelding voor het desbetreffende plandeel de bouwaanduiding "twee-aaneen" opgenomen. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde blijkt dat de raad heeft beoogd de afwijkingsbevoegdheid in artikel 13, lid 13.4 niet slechts van toepassing te verklaren op een vrijstaande woning, maar ook op een twee-onder-eenkapwoning die ter plaatse geen grotere gezamenlijke oppervlakte mag hebben als een vrijstaande woning.

Gelet hierop heeft de raad met de afwijkingsregeling in het plan niet bestemd hetgeen hij hiermee heeft beoogd te bestemmen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op artikel 13, lid 13.4, onder a van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door de afwijkingsbevoegdheid in artikel 13, lid 13.4, onder a, van de planregels, eveneens van toepassing te verklaren op een twee-onder-eenkapwoning ter plaatse van het perceel waarop de bouwaanduiding "twee-aaneen" ziet, zodat het plan in overeenstemming is met hetgeen de raad heeft beoogd. Weliswaar heeft de raad ter zitting verzocht om de voormelde afwijkingsbevoegdheid zodanig aan te passen dat deze op alle woningen binnen het plangebied van toepassing is, derhalve eveneens op de bouwaanduiding "aaneengebouwd", maar hiermee zou buiten de grenzen van het geding worden getreden. Bovendien kan de voorzieningenrechter de gevolgen van deze aanpassing niet overzien en derhalve niet uitsluiten dat derden hierdoor in hun belangen worden geschaad.

De voorzieningenrechter acht in dit geval niet aannemelijk dat derden in hun belangen worden geschaad door de desbetreffende afwijkingsbevoegdheid van toepassing te verklaren op de aanduiding "twee-aaneen", gelet op de relatief beperkte aard en omvang van de gevolgen die de afwijkingsbevoegdheid op slechts een enkel perceel teweeg kan brengen in relatie tot de afstand tot omwonenden.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

7. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [appellant] heeft verzocht om vergoeding van gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, is niet gebleken dat de door [appellant] gemachtigde en ter zitting verschenen vertegenwoordiger, rechtsbijstandverlening als vast onderdeel van een duurzame op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening heeft. Kosten hiervoor komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 18 december 2014, kenmerk14.500095, tot vaststelling van bestemmingplan "Bedrijventerrein Oudenrijn, De Meern", voor zover dit artikel 13, lid 13.4, onder a, van de planregels betreft;

III. bepaalt dat artikel 13, lid 13.4, onder a van de planregels komt te luiden "Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde vermeld in artikel 13.2.1 onder f. voor toegelaten goot- en bouwhoogte tot maximaal 6 meter en respectievelijk 10 meter indien sprake is van een vrijstaande woning of een twee-onder-eenkapwoning indien dit passend is binnen het algehele bebouwingsbeeld.";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Utrecht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. wijst het verzoek af;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Utrecht tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 26,44 (zegge: zesentwintig euro en vierenveertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Utrecht aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Hagen w.g. Scheele

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

723.