Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201408312/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6158, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebouw op het perceel [locatie] te Rijsbergen, veld A55, (hierna: het perceel) te amoveren of te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408312/1/A1.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 augustus 2014 in zaken nrs. 13/4038 en 13/6944 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebouw op het perceel [locatie] te Rijsbergen, veld A55, (hierna: het perceel) te amoveren of te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 3 juni 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.A.J. Braspenning-Hereijgers, B. de Groot en A.J.A. Nicia, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij niet is aan te merken als overtreder van het verbod in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wabo (hierna: Invoeringswet Wabo) (kamerstukken II, 2008/09, 31 953, nr. 3, blz. 43) in samenhang gelezen met de memorie van toelichting bij de Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Vierde tranche van de Awb) (kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 80-81) stelt zij zich op het standpunt dat zij niet valt aan te merken als eigenaar of bouwer, of de rechtsopvolger van de eigenaar of bouwer. Het enkele feit dat zij mede-eigenaar is van de grond van de camping of bestuurder van de camping waarop het gebouw zich bevindt maakt dat niet anders, aldus [appellante]. Zij verwijst daartoe naar de uitspraken van de Afdeling van 30 juli 2014 in zaak nr. 201311208/1/A1 en van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905445/1/H1. Bovendien kan het college haar niet dwingen tot iets waar zij feitelijk en juridisch niet toe in staat is, aldus [appellante].

2.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien thans anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan met betrekking tot de oplegging van een last onder dwangsom aan [appellante] ten aanzien van hetzelfde gebouw op hetzelfde perceel in de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2012 in zaak nrs. 201111153/1/A1 en 201111153/2/A1. In die zaak was [appellante] weliswaar aangeschreven wegens overtreding van het verbod in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, maar, zoals door de Afdeling in haar uitspraak van onder meer 27 december 2012 in zaak nr. 201204259/1/A1 is overwogen, beoogt artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, zoals door [appellante] ook is erkend, geen ander toepassingsbereik dan voormeld artikel uit de Woningwet. Voorts zijn, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 juli 2013 in zaak nr. 201211758/1/A1, in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, ofschoon daarin de rechtsopvolger wordt aangehaald, geen aanknopingspunten te vinden voor de conclusie dat de wetgever heeft beoogd de bepaling uitsluitend op de rechtsopvolger van toepassing te laten zijn (kamerstukken II, 2008/09, 31 953, nr.3, blz. 43). In de bewoordingen van de bepaling zijn aanwijzingen in die zin evenmin te vinden. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 31 januari 2012 heeft overwogen is [appellante] mede-eigenaar van het perceel en daarnaast enig aandeelhouder/bestuurder van [holding], die enig aandeelhouder van [camping] is. [Camping] exploiteert de camping. [appellante] heeft niet bestreden dat zij de zeggenschap heeft over de exploitatie van de camping en in de contacten met de gemeente als de vertegenwoordiger ervan is opgetreden. Uit die uitspraak volgt voorts dat het gebouw met de toestemming van [appellante] door de eigenaar ervan zonder vergunning op het perceel is geplaatst en dat zij het feitelijk en juridisch in haar macht heeft om de overtreding te beƫindigen. Nu zij dit niet heeft gedaan wordt in de uitspraak van 31 januari 2012 geoordeeld dat zij een bouwwerk zonder een door het college verleende bouwvergunning in stand laat.

Met de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding in dit geval anders te oordelen. Door [appellante] is niet aangevoerd waarin de onderhavige zaak verschilt van die in de uitspraak van 31 januari 2012. Wat er van zij of zij wel of geen toestemming heeft verleend voor de oprichting van het gebouw, [appellante] laat ook in dit geval het gebouw op het perceel zonder omgevingsvergunning in stand. Dat [appellante] naar gesteld het niet in haar macht heeft om, civielrechtelijk gezien, de overtreding te beƫindigen is niet komen vast te staan. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college [appellante] terecht als overtreder van het verbod in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft aangemerkt. Een beroep op de uitspraken van de Afdeling van 30 juli 2014 en 23 juni 2010 kan haar niet baten, nu die uitspraken niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval. Het overigens door [appellante] aangevoerde is geen reden anders te oordelen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

374-776.