Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201410430/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2010 herzien naar nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410430/1/A2.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] , wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2014 in zaak nr. 14/3844 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2010 herzien naar nihil.

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 17 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het

proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. [appellante] was voor het door haar ingestelde beroep bij de rechtbank € 45,00 aan griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de in de brieven van 30 juni 2014 en 30 juli 2014 vermelde termijnen is voldaan. Van een omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat [appellante] niet in verzuim is geweest, is de rechtbank niet gebleken.

3. [appellante] betoogt dat zij niet in staat is om griffierecht te betalen omdat zij een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontvangt en haar partner geen inkomen heeft. Daarom verzoekt zij haar beroep alsnog te behandelen. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat de rechtbank haar beroep ten onrechte wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.1. Bij brief van 30 juni 2014 heeft de rechtbank [appellante] in kennis gesteld van de hoogte van het verschuldigde griffierecht en haar in de gelegenheid gesteld het bedrag te voldoen binnen een termijn van vier weken. Per aangetekende brief van 30 juli 2014 heeft de rechtbank [appellante] medegedeeld dat zij het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald en [appellante] uitgenodigd dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Ook deze termijn is verstreken zonder dat het griffierecht is voldaan. In beide brieven heeft de rechtbank [appellante] erop gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het griffierecht niet tijdig is voldaan.

[appellante] heeft in beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat zij niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft [appellante] bij brief van 11 november 2014 medegedeeld dat op de zitting aandacht zal worden besteed aan de vraag waarom het griffierecht niet is betaald. [appellante] is niet ter zitting verschenen en heeft ook schriftelijk geen reden gegeven waarom het griffierecht niet is betaald. De rechtbank heeft het beroep terecht wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

480-809.