Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201410603/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2014 heeft het college zijn beslissing om op 20 oktober 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2015/522
JOM 2016/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410603/1/A4.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2014 heeft het college zijn beslissing om op 20 oktober 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 19 november 2014 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2015, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 20 oktober 2014 aan de Haringkade ter hoogte van lichtmast 12 is aangetroffen naast de daar aanwezige ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC). Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

3. [appellante] betwist dat zij de doos naast de ORAC heeft geplaatst. Zij stelt de aangetroffen doos twee jaar geleden aan een vriendin te hebben gegeven om te gebruiken als verhuisdoos toen die vriendin naar de Weststraat verhuisde. Volgens [appellante] is die vriendin één jaar later weer verhuisd en heeft zij haar spullen toen opgeslagen in een berging aan de Sleepnetstraat, vlakbij de ORAC waar de doos is aangetroffen. Toen haar vriendin eind oktober 2014 is verhuisd naar de Mennickstraat, heeft zij de doos waarschijnlijk vanuit de berging aan de Sleepnetstraat naast de ORAC geplaatst, aldus [appellante].

Daarnaast voert [appellante] aan dat zij geen reden heeft om naar de andere kant van Scheveningen te lopen om een doos weg te gooien, nu tegenover haar woning ook een ORAC staat. Bovendien stelt zij haar papier en karton altijd aan een kennis mee te geven.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak nr. 200501068/1), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

3.2. De op 20 oktober 2014 aangetroffen doos betrof blijkens de bij het besluit van 24 oktober 2014 gevoegde foto een grote lege doos met daaromheen twee touwen en meerdere stukken tape. Gelet op de touwen, het tape en het formaat van de doos, acht de Afdeling het niet onaannemelijk dat de doos als verhuisdoos is gebruikt alvorens deze naast de ORAC is geplaatst. Daarbij in aanmerking genomen dat [appellante] een zeer gedetailleerde en logische verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat de doos vlakbij de berging aan de Sleepnetstraat is aangetroffen, op ongeveer 500 m afstand van haar eigen woning, terwijl zich tussen haar woning en de plek waar de doos is aangetroffen nog vier andere aanbiedplaatsen met ORAC's bevinden, waarvan één tegenover haar eigen woning, acht de Afdeling het aannemelijk dat [appellante] niet degene is geweest die de doos onjuist ter inzameling heeft aangeboden.

Het betoog slaagt.

4. Gelet op het voorgaande heeft het college, bij het opstellen van zijn besluit tot toepassing van bestuursdwang, [appellante] ten onrechte als overtreder aangemerkt bij wie de kosten van de bestuursdwang in rekening kunnen worden gebracht. Het college heeft dit primaire besluit dan ook ten onrechte niet herroepen bij het bestreden besluit op bezwaar.

5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 19 november 2014 dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. De Afdeling zal het primaire besluit van 24 oktober 2014 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 19 november 2014, kenmerk B.4.14.3578.001 / BZW0000003490;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 24 oktober 2014, kenmerk HAPV-W2A-14-6392;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 45,00 (zegge: vijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

687.