Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201409456/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college zijn beslissing om op 9 oktober 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2015/523
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409456/1/A4.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college zijn beslissing om op 9 oktober 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 9 oktober 2014 ter hoogte van de [locatie] is aangetroffen naast de daar aanwezige papiercontainer. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 heeft aangeboden, omdat daarin een stuk karton met een tot zijn adres herleidbaar adreslabel is aangetroffen.

3. [appellant] betwist dat de naast de papiercontainer aangetroffen doos van hem afkomstig is. Hij stelt het door het college bedoelde stuk karton samen met een kleine hoeveelheid kranten in de papiercontainer te hebben gedaan. Volgens hem kan het stuk karton daarom niet in de doos zijn aangetroffen. Bovendien heeft het college met de bij het besluit van 15 oktober 2014 gevoegde foto's niet bewezen dat het stuk karton in de doos is aangetroffen, aldus [appellant]. Daarbij wijst hij erop dat er een uur is verstreken tussen het moment waarop de foto's van de papiercontainer met daarnaast de aangetroffen doos zijn gemaakt en het moment waarop de foto's van het stuk karton zijn gemaakt.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak nr. 200501068/1), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

3.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 oktober 2014 ligt het rapport van de dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag van 10 oktober 2014 met kenmerk HAPV-W2A-14-6140 ten grondslag. Het rapport vermeldt onder meer dat op 9 oktober 2014 is geconstateerd dat één doos verkeerd ter inzameling is aangeboden en dat een foto van de aangetroffen adresgegevens is bijgevoegd. Bij het rapport zijn vier op 9 oktober 2014 gedateerde foto's gevoegd van de papiercontainer en van het aangetroffen stuk karton met daarop de adresgegevens van [appellant]. Het rapport is opgemaakt en ondertekend door een toezichthouder, werkzaam bij de dienst Stadsbeheer.

[appellant] heeft met zijn enkele stelling dat hij het stuk karton in de papiercontainer heeft gedaan, niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onjuiste informatie bevat over de aangetroffen doos en het daarin aantroffen stuk karton. Uitgaande van de juistheid van het rapport en het hiervoor weergegeven bewijsvermoeden, mocht het college aannemen dat de doos afkomstig was van [appellant], nu het daarin aangetroffen stuk karton tot zijn adres kan worden herleid.

Dat tussen het moment waarop de foto's van de papiercontainer zijn gemaakt en het moment waarop de foto's van het stuk karton zijn gemaakt een uur is verstreken, maakt niet aannemelijk dat [appellant] niet degene is geweest die de doos onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Ter zitting heeft het college overtuigend toegelicht dat het tijdsverloop tussen de foto's verklaarbaar is, doordat onjuist ter inzameling aangeboden huisvuil niet ter plaatse wordt onderzocht, maar eerst wordt meegenomen naar een loods, waar het vervolgens wordt onderzocht en foto's worden gemaakt van de aangetroffen adresdragers.

Gezien het voorgaande geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

687.