Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1820

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201407780/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:4820, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de sleufsilo's op het perceel kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] ongenummerd (hierna: het perceel) en voor zover gelegen buiten het in het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" opgenomen bouwvlak, te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407780/1/A1.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 augustus 2014 in zaak nr. 14/1294 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de sleufsilo's op het perceel kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] ongenummerd (hierna: het perceel) en voor zover gelegen buiten het in het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" opgenomen bouwvlak, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door ir. S.K.M. van Duijnhoven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft een rundveehouderij op het perceel. Vast staat dat de sleufsilo's zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" rust en dat deze gronden zijn gelegen buiten het bouwvlak waarop de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" rust. Voorts heeft het college bij het in besluit op bezwaar van 16 mei 2013 gehandhaafde besluit van 6 december 2012 geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor de voormelde sleufsilo's.

2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 22, van de planvoorschriften wordt onder een bouwvlak verstaan een door bouwgrenzen op de kaart omgeven bouwvlak, waarbinnen volgens deze voorschriften een gebouw of complex van gebouwen mag worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 31, wordt verstaan onder duurzame agrarische bedrijfsuitoefening instandhouden en ontwikkelen van de agrarische productiefunctie waarbij als uitgangspunt geldt, dat aan volwaardige agrarische bedrijven voldoende mogelijkheden moeten worden geboden om ook op lange termijn de nodige volwaardigheid en levensvatbaarheid te behouden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, zijn de voor "Agrarisch gebied -Ag-" aangewezen gronden bestemd voor de navolgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening;

b. extensief recreatief medegebruik;

c. […].

Ingevolge het tweede lid mag op deze gronden niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 2,5 meter hoog, welke ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening, dan wel uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de doeleinden, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie. Een uitzondering wordt tevens gemaakt voor de bouw van tijdelijke hoge tunnels en/of tijdelijke ondersteunende kassen, die gedurende een periode van maximaal acht maanden per jaar geplaatst mogen zijn.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, zijn de gronden op de detailplankaarten aangewezen voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf:

a. grondgebonden -G-;

b. niet-grondgebonden -NG-;

Ingevolge het tweede lid zijn op de gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-", voor zover hier van belang, bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de aanwijzingen op de detailplankaart en zijn gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen het op de detailplankaart aangegeven bouwvlak toegestaan.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, gelezen in samenhang met de daarbij behorende tabel 2 en artikel 23, tweede lid, onder c, is het college bevoegd bij een grondgebonden agrarisch bedrijf de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" te wijzigen in de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden

-A-" ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak/bestemmingsvlak, mits dit noodzakelijk is uit oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering of -ontwikkeling en mits het bouwvlak na vergroting een oppervlakte heeft van maximaal 1,5 hectare.

Ingevolge artikel 23, derde lid, onder d, mogen mestopslagen en silo's in beginsel enkel worden opgericht binnen een agrarisch bouwvlak. Uitzondering is alleen mogelijk binnen de bestemming "Agrarisch gebied" en "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of abiotische waarde", mits dit om milieu hygiënische en/of bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is en er binnen het bouwvlak geen ruimte meer is.

3. Gelet op hetgeen onder 1 is overwogen staat vast dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het bouwen van de sleufsilo's zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien wegens bijzondere omstandigheden, nu concreet zicht op legalisatie bestaat. Hij voert hiertoe aan dat de Afdeling in haar uitspraak van 3 september 2014 in zaak nr. 201311359/1/A1 ten onrechte heeft overwogen dat het bouwen van de sleufsilo's in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied 2000", nu de sleufsilo's vanuit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening noodzakelijk zijn en uit artikel 22 van de planvoorschriften volgens [appellant] volgt dat het bouwen van sleufsilo's buiten het bouwvlak ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" tot de mogelijkheden behoort.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2013 in zaak nr. 201303977/1/A1), volstaat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Een besluit tot weigering gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing terzake zeer terughoudend is.

In hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen aanknopingspunten heeft gezien voor het oordeel dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college in het in besluit op bezwaar van 16 mei 2013 gehandhaafde besluit van 6 december 2012 ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Hierbij is van belang dat de Afdeling, gelijk zij heeft gedaan in de onder 4 genoemde uitspraak van 3 september 2014, het betoog van [appellant] dat de sleufsilo's in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan niet volgt, nu uit de plansystematiek volgt dat het bouwen van sleufsilo's op percelen waarop de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" rust, behoudens omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, niet zijn toegestaan. Dat in de tabel bij artikel 22 staat dat het college voor mestopslagen/silo's vrijstelling kan verlenen, betekent, anders dan [appellant] betoogt, niet dat daarmee is beoogd aan te geven dat sleufsilo's waarin geen mest wordt opgeslagen zonder vrijstelling van het bestemmingsplan zijn toegestaan. Daarbij is van belang dat in de tekst van artikel 23, derde lid, onder d van de planvoorschriften, waarnaar in de tabel wordt verwezen, staat dat mestopslagen en silo's in beginsel enkel worden opgericht binnen een agrarisch bouwvlak, maar dat uitzondering alleen mogelijk is binnen de bestemmingen "Agrarisch gebied -Ag-" en "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of abiotische waarde" mits dit om milieu hygiënische en/of bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is en er binnen het bouwvlak geen ruimte meer is.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

700.