Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1819

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201409030/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:12007, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het college aan de stichting Stichting Vlietkinderen krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang (hierna tezamen: het kindercentrum) in strijd met het bestemmingsplan op het perceel Klaverveld ongenummerd te Den Haag.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409030/1/A4.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Den Haag,

appellanten,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2014 en de uitspraak van 29 september 2014 van die rechtbank in zaak nr. 13/2659 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het college aan de stichting Stichting Vlietkinderen krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang (hierna tezamen: het kindercentrum) in strijd met het bestemmingsplan op het perceel Klaverveld ongenummerd te Den Haag.

Bij tussenuitspraak van 29 januari 2014 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het in deze tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het college, gevolg gevend aan de tussenuitspraak van de rechtbank, een nieuw besluit genomen.

Bij uitspraak van 29 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 21 februari 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2013 vernietigd en geoordeeld dat de rechtsgevolgen van dit besluit, zoals gewijzigd bij besluit van 4 maart 2014, in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2015, waar

[een van de appellanten], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting M.H. Bosse, werkzaam bij Scala Architecten, en Stichting Vlietkinderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Overwegingen rechtbank

1. Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat en dat het college in redelijkheid het belang van Stichting Vlietkinderen zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant]. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de regels omtrent parkeergelegenheid uit de in Den Haag geldende bouwverordening (hierna: de bouwverordening). De rechtbank heeft het college bij tussenuitspraak de mogelijkheid geboden dit gebrek te herstellen. Het college heeft hierop bij besluit van 4 maart 2014 het besluit van 21 februari 2013 gewijzigd. De rechtbank heeft in haar einduitspraak het besluit van 21 februari 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, omdat het college bij besluit van 4 maart 2014 het gebrek heeft hersteld.

Tussenuitspraak

2. Ter zitting heeft [appellant] zijn hoger beroepsgrond dat het kindercentrum te dicht bij het beschermd stadsgezicht van de oude Veenweg komt te liggen, ingetrokken.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de motivering van de vergunningverlening voor afwijking van het bestemmingsplan niet - zoals ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo is vereist - berust op een goede ruimtelijke onderbouwing. Hij voert hiertoe aan dat de bouw van het kindercentrum ertoe zal leiden dat er een veel massiever bouwwerk gerealiseerd wordt dan de woningen die naast het perceel staan. Voorts voert hij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grote buitenruimte ontstaat door de verbonden schoolterreinen van de school en het kindercentrum, omdat de bouw van het kindercentrum ten koste van de huidige buitenruimte zal gaan.

3.1. Het college heeft met de van de omgevingsvergunning deel uitmakende ruimtelijke onderbouwing, en daarnaast met zijn reactie op de over het ontwerp van de vergunning naar voren gebrachte zienswijzen, gemotiveerd dat vestiging van het kindercentrum niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft hierbij de omvang en de omgeving van het gebouw betrokken en ziet daarin - anders dan [appellant] - geen ruimtelijke bezwaren. [appellant] heeft, in de kern weergegeven, herhaald dat hij een andere afweging voorstaat, maar geen redenen gegeven waarom de afweging van het college onjuist zou zijn.

In dit opzicht ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt.

Het betoog faalt in zoverre.

3.2. De Afdeling overweegt voorts dat hoewel de bouw van het kindercentrum ertoe zal leiden dat de omvang van de huidige buitenruimte zal afnemen, de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het kindercentrum zodanig gesitueerd is dat een grote buitenruimte ontstaat door de aan elkaar grenzende speelterreinen van de naastgelegen school en het kindercentrum.

Het betoog faalt ook in zoverre.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank in haar tussenuitspraak ten onrechte heeft aangenomen dat het college bij zijn belangenafweging ervan mocht uitgaan dat behoefte bestaat aan de geplande voorziening. Hij voert hiertoe aan dat in de directe omgeving van het perceel reeds voldoende opvangplaatsen beschikbaar zijn. Verder voert hij aan dat Stichting Vlietkinderen momenteel twee lokalen in de naastgelegen school voor opvang in gebruik heeft en in gebruik kan houden, aangezien de school deze lokalen niet nodig heeft en zij ongeschikt zijn voor educatieve doeleinden.

4.1. De rechtbank heeft bij haar beoordeling in aanmerking genomen dat volgens het college in nieuwbouwwijken zoals hier aan de orde nog altijd behoefte bestaat aan opvang, en op de huidige locatie in het bijzonder aan buitenschoolse opvang. [appellant] heeft in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank in dit opzicht van onjuiste feiten is uitgegaan. Uit de door [appellant] overgelegde bevolkingsprognose Den Haag 2012-2020 kan weliswaar worden afgeleid dat het aantal kinderen tot en met 9 jaar in het stadsdeel Leidschenveen-Ypenburg - waar het kindercentrum gebouwd zal worden - in 2020 gedaald zal zijn, maar dat betekent niet dat niet nog steeds een groot aantal kinderen van opvang gebruik zal maken.

De rechtbank heeft bovendien bij haar beoordeling betrokken dat, zoals het college heeft toegelicht, de naastgelegen school de door Stichting Vlietkinderen voor opvang gebruikte ruimte zelf nodig heeft. Reeds daarom acht de rechtbank aannemelijk dat behoefte bestaat aan een nieuw kindercentrum. De enkele stelling van [appellant] dat leerkrachten van de school hebben aangegeven dat de door Stichting Vlietkinderen in gebruik zijnde lokalen ongeschikt zijn voor educatieve doeleinden, is voor de Afdeling onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de rechtbank niet van de juistheid van het standpunt van het college mocht uitgaan.

Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft, gezien het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het college er bij zijn belangenafweging van mocht uitgaan dat behoefte bestaat aan de geplande voorziening.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft miskend dat het college bij zijn belangenafweging eraan voorbij is gegaan dat het kindercentrum beter op een andere locatie op het perceel zou kunnen worden gebouwd, en dat hij erop zou moeten kunnen vertrouwen dat niet van het ter plaatse geldende bestemmingsplan wordt afgeweken.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201202476/1/A1), kan het bestaan van alternatieven slechts tot het weigeren van verlening van vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet aannemelijk gemaakt is dat dat zich hier voordoet.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 3 september 2014 in zaak nr. 201308390/1/R2) kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. Het college kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat aan een geldend bestemmingsplan blijvende rechten kunnen worden ontleend waardoor niet van het bestemmingsplan mag worden afgeweken. Hieruit volgt dat [appellant] geen aanspraak kan maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit zijn woning, ook niet als het geldende bestemmingsplan ter plaatse geen bebouwing toestaat.

Gelet op het voorgaande geeft het hoger beroep ook in deze opzichten geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

Einduitspraak

6. In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de door haar in de tussenuitspraak geconstateerde strijd met de bouwverordening is hersteld door het nemen van het besluit van 4 maart 2014. Bij dit besluit is aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat zes parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd aan het Klaverveld en het voorschrift dat het personeel zal gaan parkeren op een grotere afstand dan 100 m.

7. [appellant] wijst er allereerst - op zichzelf terecht - op dat de rechtbank in overweging 4.5 van de einduitspraak ten onrechte heeft overwogen dat zes parkeerplaatsen zullen worden gecreƫerd aan het Kamilleveld. In overweging 4.5 heeft de rechtbank inderdaad, refererend aan het alsnog verbonden voorschrift over de zes parkeerplaatsen, per abuis vermeld dat het ziet op parkeerplaatsen aan het Kamilleveld in plaats van het Klaverveld. Deze verschrijving geeft de Afdeling echter geen aanleiding voor het vernietigen van de aangevallen uitspraak.

8. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het voorschrift over het parkeren van het personeel niet handhaafbaar is. Dit betoog faalt eveneens. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat niet gecontroleerd kan worden of personeel, zoals het voorschrift eist, op meer dan 100 m van de locatie parkeert.

Conclusie en proceskostenvergoeding

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

262-811.