Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201406833/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:8244, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de CSG uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna ook: het schadefonds) aan [appellante] € 649,00 uitgekeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406833/1/A2.

Datum uitspraak: 10 juni 2015.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2014 in zaak nr. 14/1796 in het geding tussen:

[appellante]

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de CSG uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna ook: het schadefonds) aan [appellante] € 649,00 uitgekeerd.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E. Yeniasci, advocaat te Eindhoven, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. M. Zoethout, werkzaam bij het schadefonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg), kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

Ter nadere invulling van haar in de Wsg neergelegde bevoegdheid heeft de CSG beleid neergelegd in de Beleidsbundel en de Letsellijst.

Volgens paragraaf 2.4, van de Beleidsbundel, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt onder immateriële schade verstaan het verlies van of de (tijdelijke) vermindering van levensvreugde. De hoogte van de immateriële schade wordt vooral bepaald aan de hand van de aard en de ernst van het letsel. Daarnaast worden ook de overige omstandigheden van het geval meegewogen. De aard en ernst van het letsel kunnen blijken uit de medische informatie die bij de aanvraag is gevoegd. Als de aard en ernst van het letsel niet duidelijk zijn, kan de medisch adviseur van het Schadefonds worden geraadpleegd.

Volgens paragraaf 2.5 bedraagt een uitkering voor immateriële schade minimaal € 600,00 en maximaal € 10.000,00. De hoogte van de uitkeringen voor immateriële schade uit het schadefonds kan niet worden vergeleken met de bedragen die in het civiele recht worden toegekend.

Volgens paragraaf 2.9 betreft de materiële schade die voor een uitkering in aanmerking komt onder andere de kosten voor vermindering van inkomsten. De opgegeven schade moet voldoende met bewijsstukken worden onderbouwd.

De Letsellijst, zoals deze luidde ten tijde van belang, geeft een indicatie welk letsel het Schadefonds ernstig vindt en welk uitkeringsbedrag voor immateriële schade hierbij hoort. De Letsellijst bevat richtlijnen.

2. [appellante] heeft verzocht om een uitkering uit het schadefonds, omdat zij slachtoffer is geworden van een mishandeling op 2 november 2012 in Sliedrecht. Zij heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zij aan deze mishandeling lichamelijk en psychisch letsel heeft overgehouden, en dat daarnaast haar inkomsten zijn verminderd door de mishandeling.

3. Bij besluit van 13 december 2012 heeft de CSG een uitkering van € 649,00 aan [appellante] toegekend. Daarvan ziet € 600,00 op immateriële schade en € 49,00 op materiële schade, specifiek reiskosten en telefoonkosten.

Aan het besluit van 27 juni 2013 heeft de CSG ten grondslag gelegd dat schaal 1 van de Letsellijst van toepassing is, hetgeen overeenkomt met een immateriële schade van € 600,00. De CSG heeft zich daarbij gebaseerd op de omstandigheden van het geweldsmisdrijf in combinatie met het door [appellante] opgelopen letsel. Uit het bezwaarschrift van [appellante] en haar toelichting op een hoorzitting kwam geen nieuwe (medische) informatie naar voren op basis waarvan een hogere uitkering moet worden toegekend, aldus de CSG. Voorts heeft de CSG zich op het standpunt gesteld dat geen uitkering wordt toegekend voor materiële schade voor verlies van arbeidsvermogen voor wat betreft de werkzaamheden van [appellante] in een café waar zij destijds werkte, omdat zij daar zwart werkte.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de CSG voor de bepaling van de immateriële schade ten onrechte is uitgegaan van schaal 1 van de Letsellijst. Zij is gegijzeld in een kelderbox in Sliedrecht en daarbij ernstig mishandeld. Haar haren zijn afgeknipt, sigarettenpeuken zijn uitgedrukt op haar wang en zij is geslagen. Daardoor is haar neus gebroken, haar linkerbeen gekneusd en heeft zij diverse verwondingen en kneuzingen opgelopen over het gehele lichaam. [appellante] heeft bovendien psychische klachten overgehouden aan de mishandeling, waarvoor zij zich heeft gewend tot een psycholoog. Deze heeft de diagnose Post-Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) gesteld. Gelet op deze omstandigheden had de CSG schaal 8 van de Letsellijst van toepassing moeten verklaren, aldus [appellante].

[appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de CSG zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in aanmerking komt voor vergoeding van de door haar geleden materiële schade als gevolg van het verlies van inkomen. Zij verdiende inclusief fooi ongeveer € 500,00 per maand, zodat zij inmiddels ongeveer € 1.500,00 aan schade heeft geleden.

4.1. Dit betoog is een herhaling van hetgeen [appellante] in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is er op ingegaan en heeft gemotiveerd, waarom zij [appellante] niet in dit betoog is gevolgd. [appellante] heeft in hoger beroep niet uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

480-729.