Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201406925/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:4746, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een woonark op het perceel [locatie] te Hank (hierna: de woonark).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6965
JOM 2015/1216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406925/1/A1.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2014 in zaak nr. 14/385 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Werkendam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een woonark op het perceel [locatie] te Hank (hierna: de woonark).

Bij uitspraak van 4 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2015, waar [appellant], bijgestaan door J. van den Berg, en het college, vertegenwoordigd door J. Boterblom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

1. De woonark, die reeds is gerealiseerd, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2007" (hierna: het bestemmingsplan), nu deze een hoogte heeft van meer dan 4 m. Om de woonark niettemin mogelijk te maken, heeft het college besloten met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in afwijking van het bestemmingsplan een woonark met een maximale hoogte van 5 m toe te staan.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het bepaalde onder c is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding "Woonschip".

Ingevolge artikel 17, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is op de gronden overeenkomstig de aanduiding op de detailplankaart, in verband met de bestemming, toegelaten één woonschip ter plaatse van de aanduiding "Woonschip" per aanduiding op de detailplankaart, met een oppervlakte van 18x6 m¹ per woonschip en een goothoogte van maximaal 3,5 m¹ en een hoogte van maximaal 4 m¹, gemeten vanaf de waterlijn.

3. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat aan het besluit van 20 december 2013 geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd. Volgens [appellant] past de woonark van twee verdiepingen en een hoogte van meer dan 5 m niet in de omgeving en heeft deze de ruimtelijke uitstraling van een klein flatgebouw. Voorts is volgens [appellant] in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de woonark niet goed bereikbaar is voor calamiteiten, nu deze alleen bereikbaar is via een trap met 18 treden en een pad met een lengte van 38 m en een breedte van slechts 0,9 m. De rechtbank heeft ten onrechte zijn stelling in dit verband, dat het college niet mocht afgaan op het positieve advies van de brandweer, buiten beschouwing gelaten, omdat hij niet heeft toegelicht op welke weigeringsgrond uit de Wabo die stelling was gebaseerd. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn belang bij behoud van zijn privacy. Volgens [appellant] bestaat er vanaf de tweede verdieping van de woonark rechtstreeks zicht op zijn woonark.

4.1. Het college heeft aan het besluit van 20 december 2013 het rapport van Planologisch en Juridisch Adviesbureau Pasmaat advies van juni 2013 ten grondslag gelegd. Volgens dit rapport liggen de aangrenzende woningen op ongeveer 85 tot 90 m afstand tot de meest dichtbij gelegen zijde van de woonark en is het verschil tussen de maximale hoogte van een woonark van 4 m, die ingevolge het bestemmingsplan ter plekke is toegestaan, en de hoogte van de woonark van 5 m dusdanig beperkt, dat daarvan geen nadelige ruimtelijke gevolgen zijn te verwachten. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat ingevolge het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied" de woonboten aan de Peerenboom een maximale hoogte van 5 m hebben. Gegeven deze motivering van het college bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 20 december 2013 niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Nu het bestemmingsplan ter plaatse een woonark toestaat en de bereikbaarheid van de woonark ten opzichte van de voorheen geldende situatie niet is veranderd, wordt het standpunt van [appellant] niet gevolgd dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet is onderkend dat de woonark niet goed bereikbaar is voor de brandweer. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de brandweer positief heeft geadviseerd over het bouwplan. Dat ingevolge het bestemmingsplan woningen in het buitengebied een maximale goothoogte hebben van 4,5 m leidt, anders dan [appellant] stelt, evenmin tot het oordeel dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het college heeft toegelicht dat die woningen vanaf het maaiveld bezien hoger zijn dan de woonark en dat de woonarken aan de Peerenboom in het straatbeeld niet zichtbaar zijn, omdat ze laag en volledig in het groen liggen. Indien de woonark hoger is dan 5 m, zoals [appellant] heeft aangevoerd, is dat een afwijking van de verleende omgevingsvergunning die voorziet in een woonark met een hoogte van 5 m, gemeten vanaf de waterlijn. Daarbij dient evenwel te worden vermeld dat het college ter zitting heeft toegelicht dat, anders dan [appellant] stelt, de woonark niet op de bodem vastligt, maar meebeweegt met wisselingen van de waterlijn, zodat deze wisselingen geen invloed hebben op de, vanaf de waterlijn te meten, hoogte van de woonark, zoals deze is vergund. Voorts is door [vergunninghouder] ter zitting toegelicht dat bij de door [appellant] bedoelde controle, waarbij is vastgesteld dat de hoogte van de ark 5,25 m bedraagt, nog sprake was van een casco en dat de ark nadat alle voorzieningen daarin zijn aangebracht dieper in het water ligt.

Het college heeft onweersproken gesteld dat vanuit de woonark geen direct zicht op de woonark van [appellant] bestaat, nu de zijgevel van zijn woonark geen ramen heeft aan de zijde van de woonark. Gelet hierop, alsmede gezien de afstand tussen beide woonarken van, naar niet in geschil is, ongeveer 25 m, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet heeft onderkend dat de privacy van [appellant] dermate ernstig wordt aangetast door verlening van de gevraagde omgevingsvergunning dat het college die niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Voor dat oordeel wordt evenmin aanleiding gezien indien, zoals [appellant] heeft aangevoerd, rekening moet worden gehouden met eventuele toekomstige ramen in de zijgevel van zijn woonark, wat daar ook van zij.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat het college ten onrechte voor de woonark een omgevingsvergunning heeft verleend, nu de woonark in strijd is met redelijke eisen van welstand. In dat verband stelt hij dat met een deugdelijke welstandstoets wordt gewaarborgd dat het bouwplan past in de natuurlijke en landelijke omgeving, een belang dat hij ook in zijn beroepschrift bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

5.1. Daargelaten dat [appellant] zich in zijn beroepschrift niet expliciet heeft beroepen op het belang dat de woonark past in de natuurlijke en landelijke omgeving, kan in een beroep op dat belang niet worden gelezen een beroep op de strijdigheid van de woonark met redelijke eisen van welstand.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom zijn beroepsgrond dat de woonark in strijd is met redelijke eisen van welstand niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

374-757.