Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1812

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201402020/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2014, kenmerk C2092713/3530478, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) geweigerd en een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 aan [vergunninghouder] verleend voor de uitbreiding en wijziging van een vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te Ommel.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Wet milieubeheer
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6969
JOM 2015/524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402020/1/R2.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel, gevestigd te Deurne,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2014, kenmerk C2092713/3530478, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) geweigerd en een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 aan [vergunninghouder] verleend voor de uitbreiding en wijziging van een vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te Ommel.

Tegen dit besluit heeft Werkgroep Behoud de Peel beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Werkgroep Behoud de Peel, het college en [vergunninghouder] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2015, waar Werkgroep Behoud de Peel, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof en W.M.M. van Opbergen, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.B. Mantel, werkzaam bij de Omgevingsdienst Noord-Brabant, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft Werkgroep Behoud de Peel haar beroepsgrond, inhoudende dat het college ten onrechte niet nader heeft onderzocht of de eerder voor het bedrijf verleende Hinderwetvergunningen niet reeds al dan niet gedeeltelijk van rechtswege zijn vervallen, ingetrokken.

De Afdeling stelt vast dat het beroep van Werkgroep Behoud de Peel niet is gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 16 van de Nbw 1998.

2. Het college heeft bij het bestreden besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor de wijziging en uitbreiding van een bestaande vleeskuikenhouderij. Dit bedrijf is gelegen in de omgeving van de Natura 2000-gebieden Deurnsche Peel & Mariapeel, Groote Peel, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, Strabrechtse Heide & Beuven en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Deze gebieden zijn Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder n, van de Nbw 1998. De instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden hebben onder meer betrekking op voor verzuring gevoelige habitats en soorten die van die habitats afhankelijk zijn. Voor de Natura 2000-gebieden gelden als referentiedata 10 juni 1994, 24 maart 2000 en 7 december 2004.

3. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1988 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

4. Werkgroep Behoud de Peel betoogt dat de vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 ten onrechte is verleend. Zij stelt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het project niet tot een toename van depositie op de in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebieden zal leiden. Daarbij merkt zij op dat de kritische depositiewaarde voor één of meerdere habitats in bijna alle Natura 2000-gebieden al wordt overschreden, zodat significante effecten vanwege een toename van ammoniakdepositie niet zijn uitgesloten.

Werkgroep Behoud de Peel wijst erop dat op 24 juni 2008 een milieuvergunning is verleend voor Diesdonkerweg ongenummerd waarmee minder ammoniakemissie is toegestaan dan op grond van de eerder verleende Hinderwetvergunning mogelijk was. Het college heeft volgens haar deze vergunning ten onrechte niet bij zijn beoordeling betrokken. De omstandigheid dat deze vergunning niet in werking is getreden aangezien geen bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor het bouwen) is verleend, doet daar volgens haar niet aan af aangezien met de vergunning toestemming is verleend voor een project met een lagere depositie. Zij wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr. 201211640/1/R2.

Verder voert Werkgroep Behoud de Peel aan dat het college de ammoniakemissie in de referentiesituatie onjuist heeft vastgesteld omdat het geen rekening heeft gehouden met het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit huisvesting). Werkgroep Behoud de Peel betoogt dat het project zoals dat is vergund krachtens de Hinderwet sinds 30 oktober 2007 niet meer mocht worden voorgezet, aangezien ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit huisvesting moest worden voldaan aan de daarin bepaalde maximale emissiewaarde. Werkgroep Behoud de Peel wijst erop dat het met de Hinderwetvergunningen toegestane project niet aan de in het Besluit huisvesting voorgeschreven norm kan voldoen. Een veehouderij die zijn bedrijfssituatie niet tijdig heeft aangepast, zoals de onderhavige, handelt in strijd met het Besluit huisvesting en kan in het licht van de toepassing van artikel 19d van de Nbw 1998, niet geacht worden nog over toestemming voor het oorspronkelijke project te beschikken, aldus Werkgroep Behoud de Peel. Zij verbindt daaraan de conclusie dat Hinderwetvergunningen die betrekking hebben op een bedrijfssituatie die in strijd is met het Besluit huisvesting in het geheel geen rol kunnen spelen bij het bepalen van de ammoniakemissie in de referentiesituatie. Voorts betoogt Werkgroep Behoud de Peel dat in dit geval met de op 24 juni 2008 verleende milieuvergunning mogelijk beoogd is te voldoen aan de vereisten van het Besluit huisvesting. Als de Hinderwetvergunningen wel mogen worden betrokken bij het bepalen van de ammoniakemissie in de referentiesituatie dan ten hoogste voor 54000 vleeskuiken x 0,045 kg/NH3/dier/jr = 2430 kg/NH3/jr, aldus Werkgroep Behoud de Peel.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunning kon worden verleend nu de stikstofdepositie van de aangevraagde situatie niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Ten aanzien van de op 24 juni 2008 verleende milieuvergunning stelt het college dat deze nimmer in werking is getreden, zodat de oude vergunningen bepalend zijn gebleven voor de toegestane situatie. Voorts wijst het college erop dat met de thans verleende vergunning tevens beoogd is te voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in het Besluit huisvesting.

4.2. De vergunning heeft betrekking op de wijziging en uitbreiding van een bestaande veehouderij. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200903784/1/R2 kan een vergunning voor een uitbreiding of wijziging van een veehouderij op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 worden verleend als de wijziging of uitbreiding van de veehouderij niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie ten opzichte van de vergunde situatie op de relevante referentiedatum. De vergunde situatie op de referentiedatum kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet.

Voorts heeft de Afdeling overwogen in de uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201211640/1/R2 dat de vergunde situatie op de referentiedatum niet zonder meer als uitgangspunt kan worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie, indien de ten tijde van de referentiedatum geldende vergunning niet meer of niet meer geheel van kracht is. De reden hiervoor is dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2010, C-226/08, Stadt Papenburg, (www.curia.europa.eu), volgt dat een op de referentiedatum vergund project niet alsnog passend beoordeeld hoeft te worden zolang dit project wordt voortgezet. Hieruit wordt afgeleid dat bij de aangevraagde situatie slechts de op de referentiedatum beoordeelde stikstofdepositie kan worden betrokken voor zover het project, dat de depositie tot gevolg heeft, is voortgezet. Van voorzetting van het project is in ieder geval geen sprake indien een vergunning niet meer of niet meer geheel van kracht is.

4.3. Vaststaat dat voor het bedrijf voorafgaand aan de relevante referentiedata Hinderwetvergunningen zijn verleend. Voor het bedrijf op de locatie [locatie] is op 9 januari 1979 een vergunning verleend waaruit volgt dat op deze locatie een veebestand met een ammoniakemissie van 4160 kg per jaar mag worden gehouden. Voor het bedrijf op de locatie [locatie] is op 27 augustus 1991 een vergunning verleend, waaruit volgt dat op deze locatie een veebestand met een ammoniakemissie van 160 kg mag worden gehouden.

Voorts is bij besluit van 24 juni 2008 voor het bedrijf op de locatie [locatie] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Uit deze vergunning volgt dat hiermee een veebestand met een ammoniakemissie 2339,73 kg per jaar is toegestaan.

Bij het bestreden besluit is voor het gehele bedrijf – [locatie] - een vergunning krachtens de Nbw 1998 verleend voor een veebestand met een ammoniakemissie van 3954 kg per jaar.

Voor de exploitatie van de vleeskuikenhouderij is niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) verleend.

4.4. Uit het bestreden besluit volgt dat het college de vergunde situatie op de referentiedata heeft ontleend aan de voorafgaand aan die data verleende Hinderwetvergunningen. Na de in overweging 2 genoemde referentiedata is bij besluit van 24 juni 2008 voor [locatie] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor een activiteit die minder ammoniakemissie tot gevolg heeft. De bij besluit van 24 juni 2008 verleende vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 gelezen in samenhang met 8.4 van de Wet milieubeheer, zoals die luidde ten tijde van belang (hierna: Wm (oud)). Niet in geschil is dat voor de daarmee vergunde verandering van het bedrijf nimmer een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor het bouwen) is verleend. Uit artikel 20.8 van de Wm (oud) volgt dat de verleende milieuvergunning daardoor niet in werking is getreden, waardoor, gelet op artikel 8.4, vierde lid, van de Wm (oud), de bij besluit van 24 juni 2008 verleende vergunning de eerder verleende vergunningen op grond van de Hinderwet niet heeft vervangen. Dit volgt evenmin uit de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelezen in samenhang met artikel 2.6, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Geconcludeerd moet worden dat de Hinderwetvergunningen waaraan het college de referentiesituatie heeft ontleend geheel van kracht zijn gebleven. Anders dan in de situatie die voorlag in de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, waarbij sprake was van vervanging van de op de referentiedatum geldende vergunning door een andere milieuvergunning, mocht in dit geval het op de referentiedata bestaande project dan ook worden voorgezet nu de op de referentiedata geldende vergunningen nadien niet zijn vervangen door een andere milieuvergunning. Het college heeft dan ook terecht de op 24 juni 2008 verleende milieuvergunning niet in aanmerking genomen bij de beoordeling of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie. Het betoog faalt.

4.5. Ten aanzien van het betoog van Werkgroep Behoud de Peel dat het college bij de vaststelling van de ammoniakemissie in de referentiesituatie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de uit het Besluit huisvesting voorvloeiende eisen ten aanzien van emissie van ammoniak, heeft de Afdeling bij uitspraak van 5 november 2014 in zaak nr. 201309729/1/R2 reeds overwogen dat de Hinderwetvergunningen die relevant zijn voor de berekening van de referentiesituatie door de inwerkingtreding van het Besluit huisvesting niet geheel of gedeeltelijk zijn komen te vervallen. Aan die vergunningen komt derhalve nog steeds betekenis toe. Voorts heeft de Afdeling in de uitspraak van 5 november 2014 overwogen dat voor het bepalen van de toegestane ammoniakemissie in de referentiesituatie geen rekening hoeft te worden gehouden met de emissiefactoren van het Besluit huisvesting, in de zin dat ervan moet worden uitgegaan dat de in de referentiesituatie vergunde veestapel wordt gehouden in stalsystemen die voldoen aan het Besluit huisvesting. Dat in dit geval na de referentiedata een milieuvergunning is verleend waarmee mogelijk beoogd is te voldoen aan de vereisten van het Besluit Huisvesting, zoals Werkgroep Behoud de Peel betoogt, doet aan het voorgaande niet af, nu met die vergunning, zoals overwogen onder 4.4, de op de referentiedata bestaande toestemming niet is komen te vervallen. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Donner-Haan

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

674.