Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201500138/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500138/1/A2.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2014 in zaak nr. 14/1916 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluiten van 25 april 2014 en 30 april 2014 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 januari 2014 herroepen en alsnog een toevoeging verleend.

Bij besluiten van 26 augustus 2014 en 28 augustus 2014 heeft de raad het besluit van 30 april 2014 herroepen en wederom een toevoeging verleend.

Bij mondelinge uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen de besluiten van 25 april 2014 en 30 april 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard en het tegen de besluiten van 26 augustus 2014 en 28 augustus 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten heeft toegekend. Zij heeft afgezien van een vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken wegens een toezegging van de raad dat een toevoeging civiel zou worden verleend. Nu de toezegging niet is nagekomen herleefde het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

2.1. Niet in geschil is dat de raad bij besluiten van 25 april 2014 en 30 april 2014 het besluit van 21 januari 2014 heeft herroepen wegens een aan de raad te wijten onrechtmatigheid. In geschil is of de toezegging door de gemachtigde van [appellante], dat zij af zou zien van een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten indien een toevoeging zou worden verstrekt, aan veroordeling van de raad in deze kosten in de weg staat.

2.2. Op 6 januari 2014 heeft [appellante] een aanvraag ingediend om een toevoeging civiel voor rechtsbijstand voor een procedure of advies over een onrechtmatige overheidsdaad.

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft de raad deze aanvraag afgewezen.

Op 4 maart 2014 heeft [appellante] daartegen bezwaar gemaakt met een verzoek tot toekenning van een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

In een telefoongesprek tussen de gemachtigde van [appellante] en een medewerker van de raad op 24 april 2014 is toegezegd dat in bezwaar alsnog een toevoeging zou worden verleend. Daarop heeft de gemachtigde van [appellante] van zijn kant toegezegd dat [appellante] afziet van het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

Bij besluiten van 25 april 2014 en 30 april 2014 heeft de raad het door [appellante] tegen het besluit van 21 januari 2014 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 januari 2014 herroepen en een toevoeging straf verleend.

Bij besluiten van 26 augustus 2014 en 28 augustus 2014 heeft de raad het besluit van 30 april 2014 herroepen en een toevoeging civiel verleend.

2.3. De gemachtigde van [appellante] heeft in voormeld telefoongesprek afgezien van een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten op voorwaarde dat de raad een toevoeging civiel zou verlenen. Nu de raad in bezwaar een toevoeging straf heeft verleend is aan deze voorwaarde niet voldaan en kan het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten niet als ingetrokken worden beschouwd. De raad heeft in de besluiten van 26 augustus 2014 en 28 augustus 2014 ten onrechte niet op het verzoek van [appellante] om een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten beslist. Dat, zoals de raad stelt, een toezegging aan [appellante] is gedaan voor het verlenen van een toevoeging civiel doet hieraan niet af, nu de raad de toegezegde toevoeging pas hangende het beroep heeft verleend. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.4. Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de raad niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door [appellante] in bezwaar gemaakte kosten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van de raad van 26 augustus 2014 en 28 augustus 2014 alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek van [appellante] om een vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de raad veroordelen in de kosten die [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken wegens verleende rechtsbijstand en stelt het bedrag van die kosten vast op € 490,00, zijnde een punt voor het indienen van het bezwaarschrift.

4. De raad dient verder op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2014 in zaak nr. 14/1916, voor zover de rechtbank het bestuur van de raad voor rechtsbijstand niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door [appellante] in bezwaar gemaakte kosten;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de besluiten van 26 augustus 2014, kenmerk 1GP0012 en 28 augustus 2014, kenmerk 1GV9563, gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 26 augustus 2014, kenmerk 1GP0012 en 28 augustus 2014, kenmerk 1GV9563, voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek van [appellante] om een vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten;

V. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen kosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 123,00 (zegge: honderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

85-809.