Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201406856/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leijen Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2015/73 met annotatie van R.S. Wertheim
JOM 2015/1215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406856/1/R2.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt,

appellanten,

en

de raad van de gemeente De Bilt,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leijen Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door J. Kamps en W. Zweverink, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door J. Oosterkamp, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in twaalf woningen aan de zuidwestzijde van de wijk De Leijen in Bilthoven. Voorts is in het plan een uit te werken maatschappelijke bestemming opgenomen waar wonen in de vorm van woon-zorgeenheden en wonen in maximaal tien woningen is toegestaan.

4. Eerst ter zitting hebben [appellant] en anderen betoogd dat aan het plan onvoldoende onderzoek naar de effecten op parkeren en verkeer ten grondslag is gelegd.

4.1. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

4.2. Gelet op de aard van dit ter zitting aangevoerde betoog, was het voor de raad redelijkerwijs niet mogelijk om hierop op passende wijze te reageren. Bij deze stand van zaken verzet het belang van een goede procesorde zich ertegen dat de Afdeling dit betoog in haar beoordeling betrekt.

5. [appellant] en anderen betogen dat de begripsbepalingen voor ‘maatschappelijke voorzieningen’ en ‘woning of wooneenheid’ in artikel 1, leden 1.27 onderscheidenlijk 1.42, van de planregels onduidelijk zijn en dat door het opnemen van deze begrippen een te ruim gebruik wordt toegestaan.

5.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.27, van de planregels wordt onder ‘maatschappelijke voorzieningen’ verstaan: activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke en openbare dienstverlening.

Ingevolge lid 1.42 wordt onder ‘woning of wooneenheid’ verstaan: een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding; een woonwagen wordt gezien als woning/ wooneenheid.

5.2. Deze begripsbepalingen zijn duidelijk en niet voor verschillende uitleg vatbaar. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de begripsbepalingen in artikel 1, lid 1.27 en lid 1.42, van de planregels onduidelijk zijn of dat door het opnemen van de begripsbepalingen in de doeleindenomschrijving een ruimer gebruik dan beoogd wordt toegestaan.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen betogen dat de uitwerkingsregels in artikel 7 van de planregels in strijd met artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gelezen in samenhang met artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) onvoldoende inzicht geven in de toekomstige ontwikkeling van het gebied en in de ruimtelijke gevolgen daarvan, omdat de uitwerkingsregels onvoldoende objectief begrensd en onvoldoende bepaald zijn. Zij voeren daartoe aan dat de gronden kennelijk bestemd zijn voor de functie zorg en dat ondergeschikte dienstverlening en detailhandel zijn toegestaan, zodat een ruime invulling mogelijk is en de mogelijke ontwikkeling van het gebied onbepaald is. De gevolgen hiervan zijn door de raad niet bij de beoordeling van het plan betrokken, aldus [appellant] en anderen.

6.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan moet uitwerken.

Ingevolge artikel 3.1.4 van het Bro geeft een bestemmingsplan voor een op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro uit te werken deel van het plan op een zodanige wijze de doelstellingen aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 juni 2012 in zaak nr. 201110671/1/R1 wordt ten aanzien van uitwerkingsregels, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro niet de eis gesteld dat deze bij het bestemmingsplan objectief zijn begrensd. Artikel 3.1.4 van het Bro brengt evenwel met zich dat uitwerkingsregels voldoende inzicht dienen te bieden in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied. Dit betekent dat naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, een groter inzicht hierin moet worden geboden.

6.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk - Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van wonen in woon-zorgeenheden, welke vergezeld gaan van zorg afgestemd op de individuele behoeften van bewoners en de daar bij behorende ondersteunende voorzieningen;

b. wonen in maximaal 10 wooneenheden;

c. ondergeschikte dienstverlening en detailhandel, met dien verstande dat de totale bruto vloeroppervlakte van de functie binnen de bestemming niet meer mag bedragen dan 30 m2;

inclusief bijbehorende:

d. toegangswegen, paden en verblijfsgebied;

e. parkeer- en stallingsvoorzieningen;

f. speelvoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. nutsvoorzieningen;

i. ondergrondse afvalvoorzieningen.

Ingevolge lid 7.2 werkt het college van burgemeester en wethouders de in lid 7.1 omschreven bestemming uit met toepassing van het in artikel 3.6 van de Wro bepaalde, met inachtneming van de volgende regels.

Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.1, mogen op of in de in lid 7.1 bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarden:

a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;

b. de totale bruto vloeroppervlakte bedraagt niet meer dan 8.910 m2;

c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwgrens worden overschreden door ondergeschikte bouwonderdelen, zoals erkers, balkons, bordessen, luifels, galerijen, trappen, overhangende verdiepingen, toegangen, lifthuizen en dergelijke, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 3 meter;

d. in afwijking van het bepaalde onder a zijn gebouwen ook buiten het bouwvlak toegelaten, met dien verstande dat:

1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;

2. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen niet meer bedraagt dan 50 m2;

e. ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" mag de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan is aangeduid;

f. in afwijking van het bepaalde onder e mag de maximum bouwhoogte worden overschreden ten behoeve van lift- en trappenhuizen, centrale verwarmings- en ventilatie-installaties, zonnepanelen, lichtkappen, schoorstenen en torens van gebouwen en soortgelijke ondergeschikte (bouw)onderdelen, mits:

1. de maximale bouwhoogte van de (bouw)onderdelen met niet meer dan 3,5 meter wordt overschreden;

2. de (bouw)onderdelen op een afstand van tenminste 5 meter uit de gevels geplaatst zijn;

3. de gezamenlijke oppervlakte van de hiervoor genoemde (bouw)onderdelen niet meer bedraagt dan 10% van het totale dakoppervlakte;

g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan:

- 7 meter voor palen en masten;

- 2 meter voor erf- en terreinafscheidingen;

- 5 meter voor speelvoorzieningen;

- 3 meter voor andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.4. In het hiervoor weergegeven artikel 7 van de planregels is een duidelijk en niet voor verschillende uitleg vatbare beschrijving gegeven van de bestemming voor de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uit te werken". Voorts is in artikel 7, lid 7.2, van de planregels duidelijk beschreven hoe en onder welke voorwaarden de bestemming dient te worden uitgewerkt. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee onvoldoende inzicht wordt geboden in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen voorts dat de in artikel 7 van de planregels opgenomen uitwerkingsplicht ten onrechte afhankelijk is gesteld van de uitkomsten van verscheidene nog uit te voeren onderzoeken, zodat niet op voorhand vaststaat dat het uitwerkingsplan ruimtelijk aanvaardbaar en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zal zijn.

7.1. In hoofdstuk 4 van de plantoelichting zijn de ten behoeve van de voorbereiding van het plan verrichte onderzoeken naar onder meer hinder door bedrijven, luchtkwaliteit, geluidhinder, bodemkwaliteit, externe veiligheid, water, duurzaam bouwen, ecologie en archeologie beschreven. Een aantal van deze onderzoeken is tevens bijgevoegd als bijlage bij de plantoelichting. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat die onderzoeken onjuist of ontoereikend zijn en niet aan het besluit ten grondslag konden worden gelegd. In artikel 7 van de planregels is evenmin een aanknopingspunt te vinden voor de juistheid van de stelling van [appellant] en anderen dat de uitwerkingsplicht in dat artikel afhankelijk is gesteld van de uitkomsten van nog te verrichten onderzoeken.

Het betoog faalt.

8. [appellant] en anderen betogen dat de raad geen dan wel onvoldoende actueel onderzoek heeft gedaan naar de aanwezige flora en fauna in en rondom het plangebied. Daartoe voeren zij aan dat het onderzoek "’Nee, tenzij’ onderzoek De Leijen-zuid en landgoed Beukenburg, De Bilt" (hierna: het onderzoek) van 10 oktober 2009 van Bureau Waardenburg B.V. niet aan het plan ten grondslag kon worden gelegd, omdat dit onderzoek niet ziet op het plangebied maar op de eerder overwogen alternatieve locatie op landgoed Beukenburg. Voorts is het onderzoek volgens hen niet langer actueel.

8.1. In het onderzoek zijn twee locaties betrokken, te weten landgoed Beukenburg en De Leijen Zuid. De locatie De Leijen Zuid heeft blijkens de afbeeldingen in het onderzoek betrekking op het plangebied. Het betoog dat het onderzoek niet ziet op het plangebied mist dan ook feitelijke grondslag. Met de enkele stelling dat het onderzoek niet actueel is, hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in het plangebied dusdanig veranderd of het onderzoek dermate verouderd is, dat de raad zich daar niet op mocht baseren.

Het betoog faalt.

9. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de dassen in de nabijheid van het plangebied. Zij stellen dat de door de raad aan de vaststelling van het plan ten grondslag gelegde "Quick scan ecologie De Leijen Zuid te Bilthoven" (hierna: de quickscan) van Els & Linde B.V. van september 2013, ten aanzien van het voorkomen van de das in het gebied ontoereikend is, omdat daarin wordt geconcludeerd dat onduidelijk is of het plangebied van belang is voor het leefgebied van de das. Voorts heeft de raad volgens [appellant] en anderen geen rekening gehouden met het feit dat het plangebied door dassen als foerageergebied wordt gebruikt. Zij stellen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2006 in zaak nr. 200507763/2 dat de waarneming van een beschermde soort nader onderzoek noodzakelijk maakt. De raad heeft volgens [appellant] en anderen niet inzichtelijk gemaakt of het plangebied van belang is voor het leefgebied van de das, zodat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. [appellant] en anderen voeren daartoe aan dat in het nader onderzoek "Afdoend onderzoek De Leijen Zuid te Bilthoven" (hierna: het nader onderzoek) van Els & Linde B.V. van 25 juni 2014 niet is onderbouwd dat het plan een marginaal effect op de das zal hebben en dat het nader onderzoek niet actueel was. Daarnaast voeren zij, onder verwijzing naar een brief van 24 juni 2014 van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & ’t Gooi aan de raad, aan dat op ongeveer 250 meter van het plangebied een kraamburcht van dassen is aangetroffen en dat dit gegeven niet bij de planvaststelling is betrokken.

9.1. De raad stelt dat artikel 8:69a van de Awb aan het slagen van dit betoog in de weg staat, omdat de ingeroepen normen van de Ffw kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen.

De raad stelt voorts dat de Ffw niet aan de vaststelling van het plan in de weg staat. Uit het nader onderzoek volgt volgens de raad dat het plangebied mogelijk als foerageergebied wordt gebruikt, maar niet noodzakelijkerwijs als vaste rust- of verblijfplaats. Derhalve worden de verbodsbepalingen uit de Ffw niet overtreden, zodat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, aldus de raad.

9.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

9.3. Blijkens de plantoelichting zijn de quickscan en het nader onderzoek aan het plan ten grondslag gelegd. Omdat in de quickscan is vermeld dat nader onderzoek ten aanzien van onder meer de das nodig is, is het nader onderzoek verricht. Volgens het nader onderzoek is bij waarnemingen op 25 mei 2014 een dassenburcht aangetroffen op ongeveer 250 meter van het plangebied. Binnen het plangebied zijn enkele graafsporen en prenten van de das aangetroffen. De sporen zijn echter zeer lokaal aanwezig binnen het plangebied. Gezien het aantal sporen wordt het plangebied matig intensief gebruikt als foerageergebied door de das. De op 15 juni 2014 aangetroffen dassensporen betreffen een niet belopen pijp aan de achterzijde van de [één appellant]strook langs het plangebied. Het is mogelijk dat dit een poging is tot het graven van een bijburcht. Binnen het plangebied zijn geen graafsporen van de das aangetroffen, zo is vermeld over de waarnemingen op 15 juni 2014.

In de conclusie van het nader onderzoek staat dat het plangebied duidelijk binnen de homerange van de burchtbewoners ligt. Het terrein is matig geschikt als voedselgebied, omdat het droog, matig voedselrijk en braakliggend is. Ten tijde van het gebruik als akker was het zeer waarschijnlijk veel geschikter en zal het frequent bezocht zijn. Binnen het leefgebied van de dassenfamilie liggen verscheidene zeer geschikte tot optimaal geschikte vochtige weilanden. De bouw van de woningen leidt tot een marginale afname van het geschikte leefgebied. Dat wordt veroorzaakt door de geringe oppervlakte ten opzichte van het leefgebied en door de matige geschiktheid als zoekgebied voor regenwormen en bodeminsecten, zo staat in het nader onderzoek.

9.4. Nu het nader onderzoek een dag voor de vaststelling van het plan is afgerond en berust op waarnemingen in de daar onmiddellijk aan voorafgaande weken, kan het standpunt van [appellant] en anderen dat dit onderzoek niet actueel is niet worden gevolgd. Ook hetgeen [appellant] en anderen overigens hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de quickscan en het nader onderzoek dusdanige onjuistheden of leemten in kennis vertonen dat de raad die niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat op 250 meter van het plangebied een kraamburcht is aangetroffen, maakt niet dat door het realiseren van het plan een vaste rust- of verblijfplaats van de das wordt aangetast. Anders dan [appellant] en anderen stellen, is de aanwezigheid van een dassenburcht op 250 meter van het plangebied in het nader onderzoek vermeld en daarmee bij de besluitvorming betrokken. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het wegvallen van het plangebied als foerageergebied voor dassen, leidt tot een ernstige verstoring van de ecologische functionaliteit van de dassenburchten. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op grond van die onderzoeken niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt. Het betoog van de raad dat deze beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, behoeft derhalve geen bespreking.

10. [appellant] en anderen betogen dat niet tijdig aan de uitwerkingsplicht kan worden voldaan, omdat er nog geen gebruiker of exploitant voor het woonzorgcomplex bekend is. Zij betogen voorts dat het plan daardoor financieel niet uitvoerbaar is.

10.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

In de plantoelichting is vermeld dat de gemeente eigenaar van de grond is en in februari 2013 met Woonstichting SSW een koop- en ontwikkelovereenkomst heeft gesloten voor het woon-zorgdeel van het plan. Voor de grondgebonden woningen is volgens de plantoelichting op 15 oktober 2013 een koop- en ontwikkelovereenkomst gesloten tussen de gemeente en [belanghebbende]. De economische uitvoerbaarheid en het kostenverhaal zijn afdoende verzekerd doordat het kostenverhaal is verdisconteerd in de koopprijs van de uit te geven kavels, zo is vermeld in de plantoelichting. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college van burgemeester en wethouders de in artikel 7, lid 7.2, van de planregels opgenomen uitwerkingsplicht niet binnen de planperiode van tien jaar kan uitvoeren. Dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet bekend was wie het woon-zorgdeel van Woonstichting SSW gaat huren, betekent niet dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon-zorgdeel binnen de planperiode zal kunnen worden uitgevoerd.

Het betoog faalt.

11. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren daartoe aan dat de toegangsweg naar de voorziene woningen dichter bij de woning van [appellant] en [één appellant] zal komen te liggen dan de thans aanwezige weg. Voorts zullen de voorziene bebouwing en een geluidwal van vier meter hoog volgens [appellant] en anderen hun uitzicht aantasten. Zij voeren verder aan dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van de hoge landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, omdat de bosrand achter de Berlagelaan door verwezenlijking van het plan verloren zal gaan.

11.1. Het plan maakt het mogelijk dat de toegangsweg ter hoogte van de ongeveer 25 meter lange oprit van de woning van [appellant] en [één appellant], ten hoogste 1 meter dichter bij die woning komt te liggen dan mogelijk was onder de voorheen geldende beheersverordening "Beheersverordening De Bilt". De raad heeft de afname van de afstand van de woning van [appellant] en [één appellant] tot de weg, gelet op de resterende afstand van ongeveer 25 meter, in redelijkheid gering kunnen achten.

Volgens de plantoelichting zal een geluidwal in het verlengde van de reeds aanwezige geluidwal langs de spoorlijn worden opgericht. De geluidwal zal buiten het plangebied worden opgericht. Nu het thans voorliggende plan niet voorziet in de oprichting van een geluidwal, heeft de raad de mogelijke aantasting van het uitzicht van [appellant] en anderen door de geluidwal terecht niet bij zijn beoordeling betrokken.

Ten aanzien van de aantasting van het uitzicht door de op te richten bebouwing binnen het plangebied stelt de raad terecht dat [appellant] en [één appellant] vanuit hun woning aan de Berlagelaan geen zicht op het plangebied hebben. De woningen van [twee appellanten] aan het J.J.P. Oudkwartier zijn afgescheiden van het plangebied door een groenstrook. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de afname van het uitzicht vanuit de woningen van [twee appellanten] niet in redelijkheid beperkt heeft kunnen achten. Het geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat verwezenlijking van het plan leidt tot een dusdanige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen dat de raad om die reden van de vaststelling van het plan had moeten afzien.

Voorts heeft de raad toegelicht dat de bestaande bosrand ter hoogte van de Berlagelaan onaangetast blijft. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat die bosrand verloren gaat en dat dit leidt tot een onevenredige aantasting van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Het betoog faalt.

12. [appellant] en anderen betogen dat de toelichting van het plan niet voldoet aan artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Bro, omdat het ruimtelijk beleid niet is afgestemd op het waterbeleid.

12.1. De raad stelt dat deze beroepsgrond thans niet aan de orde kan komen, omdat deze niet in de zienswijze op het ontwerpplan naar voren is gebracht. De raad stelt voorts dat deze beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot een vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.

12.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding is neergelegd.

12.3. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

12.4. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting wordt het beleid beschreven dat ten aanzien van waterbeheer en waterhuishouding op het plan van toepassing is. Voorts zijn de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding beschreven. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen daarvan voor de waterhuishouding.

Het betoog faalt. Het betoog van de raad dat deze beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, behoeft derhalve geen bespreking.

13. [appellant] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, omdat in het plan een toelichting over duurzame verstedelijking ontbreekt. Ten aanzien van de in het plan bij recht mogelijk gemaakte woningen, stellen zij dat daar geen behoefte aan bestaat. Ten aanzien van de woningen en woonzorgeenheden die ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk - Uit te werken" mogelijk worden gemaakt, stellen zij dat de toelichting in de zienswijzennota waarin wordt verwezen naar beleid niet toereikend is.

13.1. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

13.2. In het plan worden twaalf woningen bij recht toegestaan. Voorts worden op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uit te werken" maatschappelijke voorzieningen in de vorm van wonen in woon-zorg-eenheden, wonen in maximaal tien wooneenheden en ondergeschikte dienstverlening en detailhandel mogelijk gemaakt. Niet in geschil is dat dit plan daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de vorm van een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder i, van het Bro mogelijk maakt. Onder deze omstandigheden dient de toelichting bij het plan te voldoen aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Dat geldt onverkort voor de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk - Uit te werken", nu daarvoor een verplichting tot uitwerking geldt.

13.3. Wat betreft de actuele regionale behoefte verwijst de raad in de plantoelichting naar de Woonvisie 2013-2020 die op 25 april 2013 door de raad is vastgesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 november 2013 in zaak nr. 201306573/1/R6) is het niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro dat in de plantoelichting wordt volstaan met een vermelding van de uitkomst van de beoordeling van de actuele regionale behoefte en een verwijzing naar de woonvisie voor de onderbouwing hiervan. In de thans voorliggende plantoelichting, noch in de zienswijzennota is echter een uitkomst van een beoordeling van de actuele regionale behoefte vermeld. Evenmin wordt in de Woonvisie 2013-2020 een onderbouwing van de actuele regionale behoefte gegeven. Gelet hierop bevat de plantoelichting geen beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

In het verweerschrift staat dat regionale afstemming over de vraag en aanbod van zorg- en opvangplaatsen heeft plaatsgevonden en dat uit die regionale afstemming, onder meer neergelegd in het rapport "Wonen-zorg en MO in de U10", dat een analyse van de bestaande voorraad en de vraag naar zorg- en opvangplaatsen voor de periode tot circa 2030 bevat, blijkt dat een regionaal tekort bestaat aan zelfstandig verzorgd wonen met zorg op afroep. Daarmee heeft de raad beoogd alsnog te beschrijven dat de voorgenomen ontwikkeling in zoverre voorziet in een actuele regionale behoefte. Het verweerschrift bevat op dat punt evenwel geen beschrijving in hoeverre in de behoefte aan woningen en woon-zorg-eenheden kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied van de regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins en, voor zover uit die beschrijving blijkt dat de hier voorziene stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de regio kan plaatsvinden, een beschrijving in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Ter zitting heeft de raad voorts erkend dat ook ten aanzien van de maximaal tien wooneenheden op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uit te werken" en de maximaal twaalf grondgebonden woningen op de gronden met de bestemming "Wonen" de krachtens artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vereiste beschrijvingen niet zijn gegeven.

14. De conclusie is dat het besluit van 26 juni 2014 is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

15. De Afdeling ziet in het belang bij een definitieve beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het onder 13.3 genoemde gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 13.3 alsnog toereikend te motiveren dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De raad dient daartoe allereerst te beschrijven dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de in het plan mogelijk gemaakte woningen en woon-zorg-eenheden. Vervolgens dient de raad voor de woningen en voor de woon-zorg-eenheden te beschrijven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Daarbij kan de raad beoordelen of - en zo ja, waarom - naar zijn oordeel het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. Indien uit voormelde beschrijving volgt dat de woningen en de woon-zorg-eenheden niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de regio kunnen worden gerealiseerd, dient de raad te beschrijven in hoeverre met verwezenlijking van dit plan wordt voorzien in de actuele regionale behoefte op een locatie die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Indien niet kan worden gemotiveerd dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro dan dient de raad het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling dan wel te besluiten tot intrekking van het bestreden besluit.

Indien de raad een nieuw besluit neemt, behoeft hij afdeling 3.4 van de Awb niet toe te passen. Dit besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden meegedeeld.

16. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente De Bilt op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 15 het daar omschreven gebrek te herstellen en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Hagen w.g. Taal

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

325-803.