Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
201407872/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van de splitsing van een voormalige boerderij aan de [locatie] te Lievelde afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407872/1/R2.

Datum uitspraak: 10 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Lievelde, gemeente Oost Gelre,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van de splitsing van een voormalige boerderij aan de [locatie] te Lievelde afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Gelderland, beroep ingesteld. De rechtbank heeft zich bij mondelinge uitspraak van 9 september 2014, zaak nr. AWB 14/3337, onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door A.P. Voorham, en het college, vertegenwoordigd door M.H.J. Reintjes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan het perceel aan de [locatie] te Lievelde is in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011", dat door de raad op 18 december 2012 is vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan), de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.5.2, aanhef en onder f, sub 3, van de planregels is het college bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het splitsen van een voormalige boerderij in twee woningen, met dien verstande dat de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

2. [appellant] betoogt dat zijn woning aan de wijzigingsvoorwaarden voor woningsplitsing voldoet en dat het college daarom ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. In dit verband betoogt hij dat het college een onjuiste uitleg geeft aan de voorwaarde van artikel 19, lid 19.5.2, aanhef en onder f, sub 3, van de planregels en dat een deugdelijke belangenafweging van het college ontbreekt. Volgens [appellant] is er bij splitsing van zijn woning geen sprake van een onevenredige aantasting voor de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen veehouderij op het perceel Oostermeenweg 6-8. Hij wijst erop dat zijn huidige woning reeds de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij op het perceel Oostermeenweg 6-8 belemmert. [appellant] betoogt verder dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie op dit perceel. Hij wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op een uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, in zaak nr. 201111498/1/T1/R4.

2.1. Het college stelt dat aan de uit artikel 19, lid 19.5.2, aanhef en onder f, sub 3, van de planregels voortvloeiende voorwaarde voor woningsplitsing niet wordt voldaan. Het college betoogt dat in de belangenafweging rekening is gehouden met de belangen van [appellant], maar dat het inwilligen van het verzoek om woningsplitsing tot gevolg heeft dat de veehouderij op het perceel Oostermeenweg 6-8 in zijn uitbreidingsmogelijkheden zal worden geschaad. Hiertoe is overwogen dat de veehouderij op het perceel Oostermeenweg 6-8 zich op minder dan 50 meter van de door [appellant] gewenste gesplitste woning op het perceel [locatie] bevindt. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat hij is ingegaan op de feitelijke situatie op het perceel Oostermeenweg 6-8, maar dat hij ook rekening moet houden met de (maximale) planologische mogelijkheden op dit perceel.

2.2. Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit milieubeheer), zoals dit luidde ten tijde van belang, zijn de artikelen 3.112 tot en met 3.129 van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren en het bereiden van brijvoer voor landbouwhuisdieren die binnen de inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt voor het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen.

Ingevolge het tweede lid zijn de artikelen 3.113 tot en met 3.126 niet van toepassing op:

a. inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden;

b. kinderboerderijen.

Ingevolge artikel 3.115, eerste lid, is het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor verboden, indien de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt, op geurgevoelige objecten die zijn gelegen in de gebieden, bedoeld in tabel 3.115, na de oprichting, uitbreiding of wijziging meer bedraagt dan de in die tabel aangegeven waarden.

Ingevolge artikel 3.116, eerste lid, voor zover van belang, vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor niet plaats, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand tussen het dierenverblijf en:

a. een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij;

b. een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, of

c. een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

1°. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij;

2°. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en

3°. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij:

minder dan 50 meter bedraagt, indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c, buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de kavel, bedoeld in onderdeel c van dat lid, aanwezig is.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing indien de geurbelasting op het object, bedoeld in de onderdelen a, b of c van dat lid, lager is dan de waarde die volgens artikel 3.115 geldt voor het gebied waarin dat object ligt.

Ingevolge het vierde lid is het eerste lid eveneens niet van toepassing als bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt, het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt en de afstand van het dierenverblijf tot een geurgevoelig object niet afneemt.

Ingevolge artikel 3.119, eerste lid, voor zover van belang, is, onverminderd de artikelen 3.115 tot en met 3.117, het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object:

minder dan 25 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.3. Vast staat dat het perceel [locatie] is gelegen buiten de bebouwde kom. De door [appellant] gewenste woning is geprojecteerd op de plaats van de varkensstallen van de voormalige boerderij. Zowel de huidige woning op het perceel [locatie] als de door [appellant] gewenste gesplitste woning zijn geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij.

2.4. Op 29 mei 1991 is voor het perceel Oostermeenweg 6-8 een milieuvergunning verleend. Op grond van deze vergunning mogen binnen de inrichting op het perceel 375 stuks mestvarkens en 63 vleesstieren worden gehouden. Volgens het college heeft deze vergunning nog rechtskracht, aangezien er geen intrekkingsbesluit is genomen. Wat er van de geldigheid van de op 29 mei 1991 verleende milieuvergunning moge zijn, vast staat dat de inrichting op het perceel Oostermeenweg 6-8 vanaf 1 januari 2013 onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt.

Aan het perceel Oostermeenweg 6-8 is in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn op dit perceel bepaalde agrarische activiteiten, waaronder het houden van landbouwhuisdieren moet worden begrepen, toegestaan.

2.5. Niet in geschil is dat de huidige woning van [appellant] op meer dan 25 meter maar op minder dan 50 meter afstand van de op het perceel Oostermeenweg 6-8 aanwezige inrichting ligt. Ter zitting is vast komen te staan dat de kortste afstand van de buitenzijde van de door [appellant] gewenste gesplitste woning en de buitenzijde van de op het perceel Oostermeenweg 6-8 aanwezige inrichting ongeveer 20 meter is.

Daargelaten in hoeverre de bestaande woning op het perceel [locatie] reeds een belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij is omdat deze zich binnen 50 meter afstand van de inrichting bevindt, de door [appellant] gewenste gesplitste woning zal bij oprichting, wijziging of uitbreiding van een dierenverblijf binnen de inrichting op het perceel Oostermeenweg 6-8 niet kunnen voldoen aan de in artikel 3.119, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde afstand van 25 meter. Hieruit volgt dat het door [appellant] verzochte wijzigingsplan zal kunnen leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering dan wel de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 19, lid 19.5.2, aanhef en onder f, sub 3, van de planregels vermelde voorwaarde. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onder deze omstandigheden in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid het verzoek een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van woningsplitsing op het perceel [locatie] af te wijzen.

De omstandigheid dat - naar [appellant] ter zitting heeft gesteld - er thans op het perceel Oostermeenweg 6-8 slechts twee schapen, twee runderen en een kalf worden gehouden doet aan het voorgaande niet af, nu het college uit dient te gaan van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel Oostermeenweg 6-8 en er derhalve op enig moment weer agrarische activiteiten kunnen gaan plaatsvinden die niet onder de in artikel 3.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen ondergrens vallen en waarvoor in elk geval de afstand geldt die is neergelegd in artikel 3.119, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor zover [appellant] wijst op de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013 in zaak nr. 201111498/1/T1/R4, wordt overwogen dat de in die zaak aan de orde zijnde kwestie niet vergelijkbaar is met de situatie die thans aan de orde is, reeds omdat de afstand neergelegd in artikel 3.119, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet in geding was.

Het betoog faalt.

3. Gelet op het vorenstaande kan bespreking van de betogen van [appellant] over de overige aspecten inzake de wijzigingsvoorwaarde van artikel 19, lid 19.5.2, aanhef en onder f, sub 3, en over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste gesplitste woning achterwege blijven.

4. [appellant] betoogt verder dat hij aan de brief van het college van 1 augustus 2008 en door de gemeente gedane mededelingen het vertrouwen mocht ontlenen dat een wijzigingsplan strekkende tot splitsing van de woning aan de [locatie] zou worden vastgesteld.

4.1. In de door [appellant] genoemde brief is in reactie op een door [de vorige bewoner] van thans het perceel [locatie], ingediend verzoek om informatie onder meer het volgende vermeld:

"Het bestemmingsplan [biedt] de mogelijkheid om een bestaande boerderij te splitsen in twee wooneenheden. Het gehele perceel moet dan een woonbestemming krijgen. Tevens moet de bestaande boerderij een minimale inhoud van 900 m3 hebben om voor splitsing in aanmerking te komen. Uitbreiding of nieuwbouw ten behoeve van het te splitsen gebouw is ook uitgesloten. […] Indien u voldoet aan bovengenoemde voorwaarden en wij besluiten mee te werken aan uw plan dan is een planologische procedure vereist. […] Wij zullen dan aangeven of uw plan kans van slagen heeft."

Reeds omdat in de brief van 1 augustus 2008 door het college een voorbehoud is gemaakt, in de zin dat voldaan moet zijn aan de daarvoor geldende voorwaarden, mocht [appellant] aan deze brief niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat een wijzigingsplan strekkende tot woningsplitsing aan de [locatie] zou worden vastgesteld.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen aan schriftelijke en mondelinge mededelingen van de gemeente, wordt overwogen dat niet is gebleken dat het college een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan waardoor dit vertrouwen bij [appellant] in redelijkheid kon ontstaan.

Het betoog faalt.

5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, overweegt de Afdeling als volgt. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met het perceel Oostermeenweg 1a (thans: Oostermeenweg 3-5) heeft het college onweersproken gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat hoewel in de door [appellant] aangehaalde brief van 17 januari 1997 wordt gesteld dat het toenmalige college toestemming heeft verleend om de boerderij op het perceel Oostermeenweg 1a in twee zelfstandige burgerwoningen te splitsen, voor dit perceel nooit een dergelijke omgevingsvergunning is verleend. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met het perceel Oostermeenweg 1 heeft het college onweersproken gesteld dat dit de uitbreiding van een woning ten behoeve van een gehandicapte zoon betreft en geen woningsplitsing. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

6. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015

159-823.