Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201407967/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13362, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407967/1/V1.

Datum uitspraak: 28 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 september 2014 in zaak nr. 14/8002 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 september 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: mvv-vereiste).

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 van het mvv-vereiste vrijgesteld een vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

2. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 februari 2014 in zaak nr. 13/21333 is een eerder besluit van 12 augustus 2013 op het tegen het besluit van 6 maart 2013 gemaakte bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft daarvoor redengevend geacht dat de staatssecretaris ten onrechte in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken dat de vreemdeling sinds 1 juni 2004 onrechtmatig in Nederland verblijft en in 2006 desondanks gezinsleven met zijn partner (hierna: de partner) is aangegaan. De rechtbank heeft overwogen dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling pas is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2007 in zaak nr. 07/28713, waarbij zijn beroep tegen een besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft verder redengevend geacht dat niet is gebleken welke bijzondere individuele omstandigheden specifiek hebben geleid tot verlening aan de partner van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.52 van het Vb 2000 onder de beperking 'voortgezet verblijf na B9-regeling'. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris door uitsluitend vast te stellen dat de partner niet onder medische behandeling staat en niet meer alleenstaand is, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen objectieve belemmering bestaat voor uitoefening van het gezinsleven buiten Nederland. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris de belangen van de kinderen van de vreemdeling en de partner onvoldoende heeft meegewogen, nu uit de overgelegde stukken volgt dat de partner kwetsbaar is, niet goed in staat is alleen voor de kinderen te zorgen en door de ondersteunende rol van de vreemdeling de ondertoezichtstelling van de kinderen op 22 februari 2013 is beëindigd.

2.1. In de grieven 1 tot en met 3 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat tegenwerping van het mvv-vereiste aan de vreemdeling niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat hij de uitspraak van 13 februari 2014 niet in acht heeft genomen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij de uitspraak van 13 februari 2014 in acht heeft genomen, nu hij in het besluit van 31 maart 2014 heeft uiteengezet waarom hij het na 1 juni 2004 ontstane rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet zwaar heeft laten meewegen. Verder heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat hij door zijn nadere toelichting van de omstandigheden die destijds ten grondslag hebben gelegen aan de vergunningverlening aan de partner, deugdelijk heeft gemotiveerd waarom daarin thans geen objectieve belemmering meer is gelegen voor uitoefening van het gezinsleven in Sierra Leone. Ten slotte heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat hij de rol van de vreemdeling in het gezin bij de belangenafweging heeft betrokken en daarbij terecht betekenis heeft toegekend aan de afwezigheid van een objectieve belemmering voor het uitoefenen van gezinsleven in Sierra Leone.

2.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 31 maart 2014 en het daarin ingelaste besluit van 6 maart 2013 op het standpunt gesteld dat tegenwerping van het mvv-vereiste aan de vreemdeling niet strijdig is met artikel 8 van het EVRM.

De vreemdeling is in het bezit geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig van 1 juni 2001 tot 1 juni 2004. De staatssecretaris heeft in het nadeel van de vreemdeling laten meewegen dat hij nadien in 2006 gezinsleven met de partner is aangegaan en dat hij en de partner het gezinsleven verder hebben geïntensiveerd door de geboorte van hun kinderen in 2009 en 2011. De staatssecretaris heeft daarbij in aanmerking genomen, zoals nader toegelicht in zijn verweerschrift in beroep, dat de vreemdeling weliswaar tot 21 december 2007 rechtmatig verblijf heeft gehad in verband met de procedure over zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, maar dat dit geen rechtmatig verblijf was op grond van een verblijfsvergunning. Dat de vreemdeling in deze periode, waarin onzekerheid bestond over zijn verblijfsstatus, gezinsleven is aangegaan, komt volgens de staatssecretaris dan ook voor zijn rekening. Verder heeft de staatssecretaris in het nadeel van de vreemdeling laten meewegen dat hij niet heeft aangetoond dat hij of de partner over voldoende middelen van bestaan beschikken om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Voorts heeft de staatssecretaris gewicht toegekend aan de afwezigheid van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De vreemdeling en de partner zijn immers beiden afkomstig uit Sierra Leone. Dat de partner met ingang van 7 mei 2008 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'voortgezet verblijf na B9' wegens klemmende redenen van humanitaire aard is volgens de staatssecretaris niet een zodanige belemmering. Aan die vergunningverlening lag ten grondslag dat de partner haar woonplaats in Sierra Leone was ontvlucht, omdat zij geen besnijdenis wilde uitvoeren en zij vervolgens slachtoffer is geworden van mensenhandel, dat aannemelijk was dat zij als alleenstaande vrouw zonder familie of anderen op wie zij kon terugvallen, bij terugkeer opnieuw in een soortgelijke situatie terecht zou komen en dat zij ernstig was getraumatiseerd. Door haar relatie met de vreemdeling is de partner bij terugkeer echter geen alleenstaande vrouw meer en kan zij zich elders in Sierra Leone vestigen dan in haar herkomstgebied. Voorts is gebleken dat de partner niet langer onder medische behandeling staat. Volgens de staatssecretaris zijn daarom de omstandigheden op grond waarvan destijds de verblijfsvergunning is afgegeven, gewijzigd. Verder heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de kinderen gelet op hun jonge leeftijd nog niet sterk in Nederland zijn geworteld en de vreemdeling en de partner met de kinderen gedeeltelijk in het Krio communiceren. De kennis van deze taal zal de kinderen mede in staat stellen om in Sierra Leone deel te nemen aan (buiten)schoolse activiteiten, aldus de staatssecretaris. De vreemdeling kan volgens de staatssecretaris zijn bepalende rol in het gezin blijven uitoefenen als het gezinsleven in Sierra Leone wordt voortgezet.

2.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat het verblijf van de vreemdeling na afloop van de geldigheidsduur van diens verblijfsvergunning een onzeker karakter had en dat hij in zoverre de uitspraak van 13 februari 2014 in acht heeft genomen. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte van belang geacht dat het voor rekening komt van de vreemdeling dat hij desondanks zijn gezinsleven is aangegaan en heeft geïntensiveerd. Verder heeft de staatssecretaris in het besluit van 31 maart 2014 inzicht gegeven in de omstandigheden die destijds ten grondslag lagen aan de verlening van een verblijfsvergunning aan de partner en in zoverre de uitspraak van 13 februari 2014 eveneens in acht genomen. De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat de staatssecretaris niet ten onrechte van belang heeft geacht dat de partner niet meer alleenstaand is en zij zich daarom bij terugkeer naar Sierra Leone niet meer in een kwetsbare positie bevindt. Daarbij heeft de staatssecretaris tevens niet ten onrechte betrokken dat de partner niet langer medisch wordt behandeld. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris er voldoende blijk van heeft gegeven dat hij de belangen van de kinderen en de rol van de vreemdeling in het gezin bij de belangenafweging heeft betrokken. De staatssecretaris heeft in dit kader niet ten onrechte van belang geacht dat het gezinsleven in Sierra Leone kan worden voortgezet.

De rechtbank heeft aldus niet onderkend dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in dit geval geen schending inhoudt van artikel 8 van het EVRM.

2.4. De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens in zijn grieven aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 31 maart 2014 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar strijdig is met artikel 8 van het EVRM, omdat hij daardoor zijn gezin in Nederland niet kan bezoeken.

4.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 31 maart 2014 ingelaste besluit van 6 maart 2013 op het standpunt gesteld dat het inreisverbod niet strijdig is met artikel 8 van het EVRM, omdat de overige gezinsleden de vreemdeling kunnen volgen naar Sierra Leone. Verder heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat hij het inreisverbod zal opheffen indien de vreemdeling aan alle vereisten voldoet voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn gezin in Nederland.

4.2. Gezien de onder 4.1. weergegeven motivering bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 september 2014 in zaak nr. 14/8002;

III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015

154-768.