Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201409229/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8143, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] tot betaling van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409229/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2014 in zaak nr. 14/211 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Brielle.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] tot betaling van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit afgewezen.

Bij besluit van 6 december 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. M.J.M. Bergers, rechtsbijstandverlener bij Bergers Rechtsbijstand, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge artikel 4:18 stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

2. Bij brief van 30 november 2012 heeft [appellant] het college verzocht de hoogte van een in verband met het niet tijdig nemen van een besluit verbeurde dwangsom vast te stellen. Bij besluit van 10 december 2012 heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 6 juni 2013 heeft het college het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [appellant] geen beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juni 2013 heeft [appellant] het college verzocht toepassing te geven aan artikel 4:18 van de Awb, omdat het college met zijn besluit van 6 juni 2013 niet tijdig op het bezwaar had beslist. Dit verzoek is bij besluit van 3 juli 2013 door het college afgewezen en het bezwaar van [appellant] daartegen heeft het college bij het bestreden besluit van 6 december 2013 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] met zijn beroep beoogt dat hem een dwangsom wordt toegekend wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar inzake de afwijzing van zijn verzoek hem een dwangsom toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het in de Awb neergelegde stelsel ter zake van het door bestuursorganen verbeuren van dwangsommen wegens het niet tijdig nemen van besluiten er aan in de weg dat ook ter zake van het al dan niet tijdig nemen van een dwangsombesluit in de zin van artikel 4:18 van de Awb dwangsommen worden verbeurd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat een besluit in de zin van artikel 4:18 van de Awb geen besluit op aanvraag behelst, maar ambtshalve moet worden genomen en dat artikel 8:55c in verbinding met de artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 6:12 van de Awb de toegang tot de bestuursrechter biedt om bij het uitblijven van een dergelijk besluit te vragen om vaststelling van de reeds verschuldigde dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit stelsel met zich dat ook ter zake van het uitblijven van een heroverweging in bezwaar inzake enige beslissing omtrent artikel 4:17 van de Awb heeft te gelden dat geen dwangsommen zijn verschuldigd. Dat een bezwaar gelet op artikel 7:14 en 4:17 van de Awb in deze wel heeft te gelden als een aanvraag doet hier niet aan af, aldus de rechtbank. Nu [appellant] met zijn beroep derhalve niets kan bereiken, heeft de rechtbank zijn beroep wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk verklaard.

4. Ter zitting heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij met zijn betoog dat de rechtbank door zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren hem ten onrechte de gang naar de rechter heeft ontnomen bedoelde te betogen dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog dat hem de gang naar de rechter is ontnomen behoeft derhalve geen bespreking meer.

[appellant] betoogt dat de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014 in zaak nr. 201302645/1/A3 onjuist heeft uitgelegd en ten onrechte zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank had zijn beroep inhoudelijk moeten beoordelen, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 16 april 2014 heeft overwogen, kan het bestuursorgaan niet krachtens artikel 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 december 2014 in zaak nr. 201400947/1/A3 overwogen dat in lijn met die uitspraak moet worden geoordeeld dat ook geen dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

Het betoog faalt in zoverre.

4.2. De rechtbank is evenwel op basis van een inhoudelijke beoordeling van het geschil tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard in plaats van ongegrond.

Het betoog slaagt in zoverre.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 december 2013 van het college alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2014 in zaak nr. 14/211;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Michiels w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

176-773.