Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201403379/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:1383, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft de korpschef een verzoek van [verzoeker] om informatie gedeeltelijk ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403379/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de korpschef van politie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 maart 2014 in zaak nr. 13/2686 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de korpschef.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft de korpschef een verzoek van [verzoeker] om informatie gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft de korpschef het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2014 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen opnieuw op het bezwaar van [verzoeker] te beslissen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij besluit van 30 april 2014 heeft de korpschef, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren van [verzoeker] beslist en die bezwaren wederom ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft gronden tegen dat besluit ingediend.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2015, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Denneman, werkzaam bij de politie, en [verzoeker], vertegenwoordigd door H. Van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

[…];

c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van toezending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens;

[…].

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden politiegegevens slechts verwerkt indien dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze wet geformuleerde doeleinden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge deze aanhef en onder b wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 4 wordt de verzoeker, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge het tweede lid verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

2. [verzoeker] heeft verzocht om een afschrift van alle gegevens over verkeersovertredingen die zijn gemaakt met voertuigen die staan geregistreerd op naam van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de vijfentwintig regionale politiekorpsen. Hierbij heeft hij vermeld dat het verzoek betrekking heeft op overtredingen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en die zijn geconstateerd door alle toenmalige regionale politiekorpsen en het Korps Landelijke Politiediensten (hierna: het KLPD).

[verzoeker] verzoekt specifiek om een afschrift van:

- de foto of een ander stuk waaruit de overtreding blijkt, en

- het proces-verbaal als dat is opgemaakt.

Mocht er wel een overtreding zijn geconstateerd, maar geen proces-verbaal zijn opgemaakt, verzoekt [verzoeker] om gegevens over de geconstateerde overtreding. Hij baseert zijn verzoek op de Wob.

3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 23 augustus 2013 heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde informatie alleen uit het politiesysteem is te halen door een naam of een kenteken op te geven. Het opvragen van informatie over verkeersovertredingen uit het politiesysteem heeft te gelden als verwerken van politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wpg. Verwerking van politiegegevens mag ingevolge artikel 3 van de Wpg slechts plaatsvinden voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze wet geformuleerde doeleinden. Volgens de korpschef bevat de Wpg geen doeleinden die overeenstemmen met het doel dat [verzoeker] met zijn informatieverzoek voor ogen heeft en mag hij om die reden de gevraagde informatie uit het politiesysteem over zowel de regionale politiekorpsen als de twee ministeries niet aan [verzoeker] verstrekken. Voorts heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat indien er wel een wettelijke grondslag zou zijn om de politiegegevens naar aanleiding van het verzoek van [verzoeker] te bevragen, dit verzoek te algemeen is geformuleerd om die systemen te kunnen bevragen.

Verder heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat alle in het jaar 2012 door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) aan de toenmalige politiekorpsen opgelegde boetebeschikkingen ook onder het informatieverzoek van [verzoeker] vallen. Voor zover hij daarover nog beschikt, heeft hij deze beschikkingen of overzichten met gelijke strekking op grond van de Wob aan [verzoeker] verstrekt, onder weglakking van de daarin vermelde kentekens van de betreffende voertuigen. Voorts heeft de korpschef op grond van artikel 4 van de Wob het informatieverzoek naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu doorgestuurd, in zoverre dit betrekking heeft op de door het CJIB aan die ministeries opgelegde boetebeschikkingen, nu hij daarover niet beschikt.

4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013 in zaak nr. 201204033/1/A3 (www.raadvanstate.nl) heeft de rechtbank overwogen dat de door de korpschef voorgestane uitleg van artikel 1, aanhef en onder c, en artikel 3 van de Wpg tot het onbedoelde resultaat leidt dat niet kan worden vastgesteld of een bepaald gegeven al dan niet onder de Wob valt. Naar het oordeel van de rechtbank dient de korpschef derhalve, voordat hij een beroep kan doen op de genoemde artikelen, te onderzoeken of de gevraagde informatie als politiegegeven moet worden aangemerkt, hetgeen betekent dat de korpschef op basis van het verzoek allereerst zal moeten onderzoeken in hoeverre de door [verzoeker] gevraagde informatie onder hem berust. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de betreffende informatie op grond van de Wob aan [verzoeker] kan worden verstrekt of dat de Wpg hieraan in de weg staat, omdat de informatie dient te worden aangemerkt als een politiegegeven als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Als het verzoek van [verzoeker] te algemeen was geformuleerd, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de korpschef om [verzoeker] te vragen het verzoek te preciseren en hem daarbij behulpzaam te zijn.

5. De korpschef betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat om te kunnen beoordelen of de gevraagde informatie onder het regime van de Wob of de Wpg valt, deze informatie dient te worden opgevraagd met behulp van identificerende zoektermen, zoals naam en kenteken. Dit dient te worden aangemerkt als het verwerken van politiegegevens, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wpg. Aangezien verwerking van politiegegevens ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wpg slechts is toegestaan als dat noodzakelijk is voor de bij of krachtens die wet geformuleerde doeleinden, en toepassing van de Wob daarbuiten valt, is het niet mogelijk deze informatie te raadplegen, aldus de korpschef.

5.1. Evenals de rechtbank volgt de Afdeling de korpschef niet in zijn standpunt dat hij ten aanzien van de gevraagde informatie uit het politiesysteem over zowel de regionale politiekorpsen als de twee ministeries niet aan het Wob-verzoek kan voldoen, reeds omdat artikel 1, aanhef en onder c, en artikel 3, eerste lid, van de Wpg daaraan in de weg staan. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 25 september 2013 zien die artikelen uitsluitend op het verwerken van politiegegevens. Voor zover de gevraagde informatie niet ziet op politiegegevens, zijn die artikelen derhalve niet aan de orde. De Afdeling deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat de door de korpschef voorgestane uitleg van die artikelen tot het onbedoelde resultaat zou leiden dat niet kan worden vastgesteld of een bepaald gegeven al dan niet onder de Wob valt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de korpschef, voordat hij een beroep kan doen op artikel 1, aanhef en onder c, en artikel 3 van de Wpg, dient te onderzoeken of de gevraagde informatie als politiegegeven moet worden aangemerkt. Bovendien is niet duidelijk of de gevraagde informatie alleen uit het politiesysteem kan worden opgevraagd en geraadpleegd met behulp van een naam of een kenteken. In het politiesysteem, kan, zoals ter zitting van de Afdeling is gebleken, ook informatie worden opgevraagd met niet identificerende zoektermen, zoals politieregio en feitcode.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Bij besluit van 30 april 2014 heeft de korpschef, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op de bezwaren van [verzoeker] beslist en die bezwaren wederom

ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

8. Bij voormeld besluit heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat voor zover het verzoek ziet op verkeersovertredingen die zijn gemaakt met voertuigen die staan geregistreerd op naam van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid betreffende de politie. Verkeershandhaving ten opzichte van specifieke andere overheden valt volgens de korpschef niet te kwalificeren als een bestuurlijke aangelegenheid nu hij op basis daarvan niet tot nieuw beleid komt. Het verzoek is in zoverre terecht afgewezen. Voorts is volgens de korpschef het verzoek voor zover dat ziet op verkeersovertredingen die zijn gemaakt met voertuigen die staan geregistreerd op naam van de vijfentwintig regionale politiekorpsen terecht gedeeltelijk afgewezen. De gevraagde processen-verbaal zijn volgens de korpschef geen bestaande documenten en de Wob verplicht niet tot het vervaardigen van een nieuw document. Voor zover [verzoeker] heeft verzocht om een afschrift van de foto’s van de verkeersovertredingen, is volgens de korpschef reeds aan het verzoek tegemoetgekomen met verstrekking van de boetebeschikkingen. [verzoeker] heeft immers verzocht om een foto of "een ander stuk waaruit de overtreding blijkt". Overigens levert het verzamelen van de foto’s zeer veel werk op. Volgens de korpschef verlangt de Wob niet dat er een zodanige inspanning wordt verricht om gegevens te verzamelen. Tot slot stelt de korpschef zich op het standpunt dat informatie over sepots niet bij de politie aanwezig is en daarom niet aan [verzoeker] kan worden verstrekt.

9. [verzoeker] betoogt dat de korpschef ten onrechte heeft geweigerd informatie aan hem te verstrekken. Hij voert aan dat de korpschef een verkeerde, te beperkte uitleg geeft aan het begrip 'bestuurlijke aangelegenheid'. Hij voert verder aan dat de korpschef er ten onrechte aan voorbijgaat dat de Wob ook van toepassing is op informatie in databases. De korpschef kan, indien er geen processen-verbaal bestaan, ook een kopie van de database van de politie verstrekken. Hij bestrijdt overigens dat er geen processen-verbaal zouden bestaan. [verzoeker] beklemtoont dat zijn verzoek ook betrekking heeft op foto's. Hij heeft verzocht om alle gegevens over verkeersovertredingen. Daarbij is niet vermeld dat dit kon worden ingeperkt tot óf een afschrift van de foto óf een ander stuk waaruit de overtreding blijkt. Dit heeft hij ook tijdens de hoorzitting in bezwaar benadrukt. Dat het verzamelen van foto's zeer veel werk oplevert, is geen grond die aan een weigering openbare gegevens te verstrekken ten grondslag kan worden gelegd. Een bestuursorgaan mag weliswaar afwijken van de voorkeur van de verzoeker voor een bepaalde wijze van informatieverstrekking, maar daarbij mag geen openbare informatie worden achtergehouden. Voor zover informatie over sepots niet bij de korpschef berust, had de korpschef het verzoek moeten doorsturen naar het bestuursorgaan dat daar wel over beschikt, aldus [verzoeker].

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201304936/1/A3; www.raadvanstate.nl), moet de term "bestuurlijk" in dit verband ruim worden opgevat en heeft deze betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten.

De gevraagde documenten hebben betrekking op de wijze waarop de politie omgaat met de handhaving van de naleving van verkeersregels. Daarmee betreft het verzoek een bestuurlijke aangelegenheid. De korpschef heeft het begrip bestuurlijke aangelegenheid te beperkt opgevat door onderscheid te maken tussen verkeersovertredingen met voertuigen die staan geregistreerd op naam van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu enerzijds en verkeersovertredingen met voertuigen die staan geregistreerd op naam van de vijfentwintig regionale politiekorpsen anderzijds en alleen de laatste aan te merken als bestuurlijke aangelegenheid die het politiekorps aangaat.

9.2. De korpschef heeft in het besluit van 30 april 2014 uiteengezet dat

de processen-verbaal geen bestaande documenten zijn. Informatie over verkeersovertredingen wordt in een database weggeschreven. Ieder voormalig politiekorps schrijft deze informatie weg in een eigen deel van de database. Het CJIB leest deze database uit, hetgeen resulteert in het samenvoegen van verschillende velden uit die database om te komen tot een boete welke vanuit het CJIB wordt verzonden. Tussen de politie en het CJIB wordt alleen via de database informatie uitgewisseld. Er worden geen processen-verbaal vervaardigd. Processen-verbaal kunnen wel vervaardigd worden op basis van de database, maar daarvoor dient een query gemaakt te worden om velden uit de database naar een proces-verbaal weg te schrijven.

Ter zitting van de Afdeling is gebleken dat niet duidelijk is of in alle gevallen waar het verzoek op ziet geen proces-verbaal als zodanig in het politiesysteem aanwezig is. Voor zover dat niet zo is, kan met de gegevens in dat systeem een proces-verbaal worden vervaardigd. De korpschef heeft weliswaar terecht het standpunt ingenomen dat de Wob hem niet tot het vervaardigen van documenten verplicht, maar hij heeft miskend dat in dit geval wel dient te worden bezien of de gegevens in het politiesysteem waarmee het proces-verbaal kan worden vervaardigd onder de Wob vallen.

9.3. Gelet op de bewoordingen van het verzoek ziet het op aan de boetebeschikkingen ten grondslag liggende stukken. Het verzoek ziet niet op de boetebeschikkingen als zodanig. Dat betekent echter niet dat in de boetebeschikkingen geen informatie is vervat waarop het verzoek betrekking heeft. Voor zover [verzoeker] heeft verzocht om een afschrift van de foto’s van de verkeersovertredingen ziet de Afdeling evenwel geen grond voor het oordeel dat de korpschef aan het verzoek van [verzoeker] is tegemoetgekomen met verstrekking van de boetebeschikkingen. Daarbij neemt zij allereerst in aanmerking dat in het geheel geen informatie is verstrekt over de verkeersovertredingen begaan met voertuigen die staan geregistreerd op naam van de betrokken ministeries. Verder bevat een boetebeschikking niet alle informatie die een foto bevat. Zoals volgt uit het bij de Afdeling door de korpschef overgelegde schema bevatten zowel een foto als een proces-verbaal, dan wel de gegevens waarmee een proces-verbaal kan worden vervaardigd, meer informatie dan een boetebeschikking. De gevraagde informatie mag slechts in een andere dan de door verzoeker gevraagde vorm worden verstrekt als de gevraagde vorm een aanzienlijke extra tijdsinspanning vergt en met de andere vorm geen relevante informatie wordt onthouden. Dat laatste is hier niet het geval. Daarbij komt dat in het politiesysteem ook gegevens staan over overtredingen die niet tot een boetebeschikking hebben geleid. Zoals ter zitting van de Afdeling is gebleken, blijft bijvoorbeeld de onderliggende informatie van een overtreding in het geval van een sepot in het politiesysteem aanwezig.

Het verzoek om informatie heeft geen betrekking op informatie over sepots als zodanig, zodat reeds daarom geen grond bestaat voor het oordeel dat de korpschef het verzoek in zoverre had moeten doorsturen, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd.

9.4. Gelet op het voorgaande berust de door de korpschef gehandhaafde weigering informatie te verstrekken op een ondeugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

10. Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 april 2014 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

De Afdeling zal in het navolgende beoordelen of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven, gelet op hetgeen de korpschef verder in hoger beroep naar voren heeft gebracht.

11. De korpschef heeft aangevoerd dat de informatie die wel blijkt uit een foto en een proces-verbaal maar niet uit een boetebeschikking identificerend is en dat het daarom in zoverre om politiegegevens gaat, waarop de Wob niet van toepassing is.

Ter zitting van de Afdeling heeft de korpschef in dat verband aangevoerd dat de gevraagde foto’s in hun geheel politiegegevens zijn. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 in zaak nr. 201400772/1/A3.

12. De Afdeling heeft kennisgenomen van de door de korpschef vertrouwelijk overgelegde foto’s.

13. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201107020/1/A3, bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens.

Zoals de Afdeling verder heeft overwogen in de uitspraak van 25 september 2013 in zaak nr. 201204033/1/A3 is bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient, met inachtneming van de specifieke context van plaats, tijd en aantal betrokken personen, te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren.

De Afdeling is van oordeel dat het in dit geval, anders dan in de uitspraak van 4 februari 2015, met de gegevens op de foto, zoals het kenteken, merk en type auto, al dan niet in combinatie met andere gegevens, zoals datum en tijdstip van de overtreding, niet mogelijk is een bepaald persoon te identificeren. In dit geval is verzocht om informatie over verkeersovertredingen die zijn gemaakt met voertuigen die staan geregistreerd op naam van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de vijfentwintig regionale politiekorpsen. Deze bestuursorganen zijn kentekenhouder en aan hen is de overtreding toegerekend, zo blijkt ook uit de boetebeschikkingen. Gelet hierop bestaat in dit geval geen grond voor het oordeel dat de foto’s politiegegevens bevatten, waarop de Wob niet van toepassing is. Dat de korpschef het ten aanzien van niet-herkenbare politieauto’s niet wenselijk acht dat kentekens of andere gegevens daarvan bekend worden, zoals ter zitting is toegelicht, is naar het oordeel van de Afdeling een in het kader van de Wob en de daarin vervatte weigeringsgronden te beoordelen aspect.

De Afdeling heeft geen inzage gehad in de processen-verbaal, dan wel de gegevens waarmee deze kunnen worden vervaardigd. Naar de Afdeling aanneemt, geldt daarvoor echter ook dat geen personen maar bestuursorganen als overtreder worden vermeld, zodat ook in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat deze politiegegevens bevatten, waarop de Wob niet van toepassing is. Bovendien, zo blijkt uit het bij de Afdeling door de korpschef overgelegde schema, bestaat de informatie die een proces-verbaal meer bevat dan een boetebeschikking naast informatie over het voertuig ook uit de naam van de verbalisant, de overschrijding van de toegestane snelheid en unieke nummers. Ook in zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat de Wob niet van toepassing is.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 april 2014 in stand te laten. De korpschef dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [verzoeker] te nemen.

15. De korpschef dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van de korpschef van politie van 30 april 2014, kenmerk: KNP13001496, gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. bepaalt dat van de korpschef van politie een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Nell

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

597.