Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201408391/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:7597, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de minister een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408391/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2014 in zaak nr. 13/2736 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de minister een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingewilligd.

Bij besluit van 3 december 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. M.J.M. Bergers, werkzaam bij Bergers Rechtsbijstand, en de minister, vertegenwoordigd door C.J. Louisse en mr. H.O. Nieuwpoort, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vierde lid, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een beroepschrift, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

2. Bij het besluit van 25 april 2013 heeft de minister gesteld de volgende door [appellant] op 16 april 2013 verzochte documenten met betrekking tot een in het verzoek vermeld CJIB-nummer aan hem te verstrekken:

a. een kopie van de beslissing van de Officier van Justitie op het ingediende administratief beroep;

b. een kopie van het beroep gericht aan de kantonrechter;

c. een kopie van het ingediende administratief beroep;

d. het meest recente CJIB zaakoverzicht.

In zijn bezwaarschrift van 4 mei 2013 heeft [appellant] gesteld dat de minister ten onrechte heeft gemeld dat hij de documenten onder b en c heeft verstrekt.

Bij het besluit van 3 december 2013 heeft de minister het bezwaar van [appellant] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en van horen afgezien, omdat de gevraagde documenten bij het primaire besluit reeds waren verstrekt en derhalve volledig aan het verzoek van [appellant] was tegemoetgekomen.

Bij uitspraak van 11 december 2013 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] van 16 september 2013 wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister bij besluit van 26 augustus 2013 reeds op het bezwaar had beslist.

Bij uitspraak van 5 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de uitspraak van 11 december 2013 gedane verzet gegrond verklaard. Nu de minister bij besluit van 3 december 2013 op het bezwaar van [appellant] heeft beslist, dient te worden geconcludeerd dat het besluit van 26 augustus 2013 niet als besluit op bezwaar was bedoeld, aldus de rechtbank.

Bij de uitspraak van 2 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn beroep wegens het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar en zijn verzoek de door de minister verbeurde dwangsom vast te stellen. De rechtbank heeft ten onrechte geen proceskostenveroordeling ten behoeve van de door hem daarvoor gemaakte proceskosten uitgesproken. Ook heeft de rechtbank hem geen proceskosten toegekend voor het gegronde verzetschrift, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb staat tegen een verzetuitspraak geen hoger beroep open. Tegen de inhoud van die uitspraak, inclusief het niet uitspreken van een proceskostenveroordeling, kan derhalve niet worden opgekomen. De rechtbank is bij een gegrond verzet gehouden in de uitspraak in de bodemprocedure een proceskostenveroordeling ten behoeve van de in verzet gemaakte proceskosten uit te spreken, indien zij dit niet reeds in de verzetuitspraak heeft gedaan. Tegen dat oordeel in die uitspraak staat wel hoger beroep open. Nu het verzet van [appellant] gegrond is verklaard, heeft [appellant] terecht betoogd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft nagelaten een proceskostenveroordeling, ten behoeve van de in verzet gemaakte proceskosten, uit te spreken.

Het betoog slaagt in zoverre.

3.2. [appellant] betoogt eveneens terecht dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet heeft beoordeeld. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat wanneer hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit alsnog een uitdrukkelijk besluit wordt genomen, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb (onder meer de uitspraak van 24 september 2010 in zaak nr. 201003820/1/H3). Hiervoor is wel van belang dat is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

[appellant] heeft op 4 mei 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 maart (lees: april) 2013. De beslistermijn eindigde op 18 juli 2013. Op 23 juli 2013 zou [appellant] de minister per fax in gebreke hebben gesteld. De minister heeft zich op het standpunt gesteld deze ingebrekestelling niet te hebben ontvangen. [appellant] heeft geen fax-verzendadministratie overgelegd noch op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij de ingebrekestelling per fax heeft verzonden. Voor zover [appellant] overlegging van de fax-verzendadministratie ter zitting heeft aangeboden, verzet de goede procesorde zich ertegen dat deze in de beoordeling wordt meegenomen. Daarom kan niet worden aangenomen dat de minister in gebreke is gesteld. Nu dit een voorwaarde is voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit, was dat beroep reeds daarom niet-ontvankelijk en bestond derhalve geen aanleiding krachtens artikel 8:55c van de Awb een dwangsom vast te stellen. Gelet op het voorgaande bestaat evenmin aanleiding de minister te veroordelen tot vergoeding van de daarvoor gemaakte proceskosten, omdat de minister met het besluit van 3 december 2013 aan zijn beroep is tegemoetgekomen.

Het betoog faalt in zoverre.

4. Nu [appellant] heeft gesteld dat niet de juiste documenten zijn verstrekt, is de minister met het besluit van 3 december 2013 niet aan het beroep van [appellant] tegemoetgekomen. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het beroep van [appellant] krachtens artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft op dat besluit.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister met de openbaarmaking van het pro-forma administratief beroepschrift kon volstaan. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte overwogen dat hij pas in beroep naar voren heeft gebracht dat niet de gronden van het administratief beroep openbaar zijn gemaakt. Dit heeft hij in het bezwaarschrift reeds te kennen gegeven. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij, omdat hij het beroepschrift ingediend bij de kantonrechter niet had, terecht een ander document heeft aangemerkt als het bedoelde beroepschrift. Dit document betreft een klacht, aldus [appellant].

Gelet op het voorgaande is het volgens [appellant] ook onbegrijpelijk dat de minister het bezwaar als kennelijk heeft afgedaan, hetgeen de rechtbank heeft miskend. Hij voert daartoe aan dat de uitzonderingsgronden op de hoorplicht zeer restrictief dienen te worden toegepast. Tot een kennelijke niet-ontvankelijkheid kan alleen worden gekomen wanneer uit een bezwaarschrift volgt dat de indiener ervan geen belang bij zijn bezwaar heeft en er redelijkerwijs geen twijfel over die conclusie mogelijk is. Nu hij in bezwaar te kennen heeft gegeven niet alle gevraagde documenten te hebben ontvangen, had hij daarover moeten worden gehoord, aldus [appellant].

5.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij pas in beroep naar voren heeft gebracht dat hij naast het ingediende administratieve beroepschrift ook de aanvullende gronden wenste te ontvangen. In het bezwaarschrift staat immers alleen dat in het primaire besluit ten onrechte is vermeld dat de in zijn Wob-verzoek onder b en c genoemde documenten zijn verstrekt. In het bezwaarschrift staat niet dat hij ook de aanvullende gronden wenste te ontvangen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Wob-verzoek voldoende concreet was en derhalve geen aanleiding voor de minister bestond [appellant] te vragen zijn Wob-verzoek te specificeren. Hierbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat [appellant] een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld en dat deze gemachtigde expliciet heeft gevraagd om een kopie van het administratief beroep en niet om de aanvullende gronden daarvan.

5.2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij het besluit van 25 april 2013 verstrekte klachtbrief van 3 juli 2012 in zijn administratie is geregistreerd als kantonberoep en dat zich in het dossier geen ander document bevindt dat als beroepschrift aan de kantonrechter kan worden aangemerkt. In het bezwaarschrift heeft [appellant] niet te kennen gegeven dat hij heeft verzocht om een stuk van 20 juli 2012, zoals ter zitting bij de rechtbank is gesteld. Ter zitting bij de rechtbank kon de gemachtigde van [appellant] het desbetreffende stuk, dat door hem zelf bij de kantonrechter is ingediend, niet overleggen. Ook in hoger beroep heeft [appellant] dit stuk niet overgelegd. Dat de gemachtigde van [appellant] zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij dit stuk heeft opgevraagd, omdat het in het ongerede is geraakt en hij het zelf niet meer had, strookt niet met zijn ter zitting bij de rechtbank ingenomen standpunt dat hij de documenten heeft opgevraagd, omdat hij wil weten hoe ze worden ingediend en hij de daaraan toegevoegde barcode achteraf kan gebruiken. Derhalve kan niet worden aangenomen dat dit stuk bij de minister bekend was dan wel behoorde te zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich in het besluit van 3 december 2013 terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzochte document reeds was verstrekt.

5.3. Van het horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het bezwaar. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat daarover op voorhand, gelet op de inhoud van het verzoek en het bezwaarschrift, redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was en van horen mocht worden afgezien. Met de overweging van de rechtbank dat de minister bij besluit van 25 april 2013 aan het verzoek van [appellant] is tegemoetgekomen en het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, is de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, niet aan zijn beroep dat het bezwaar ten onrechte als kennelijk is afgedaan voorbij gegaan.

Het betoog faalt in zoverre.

5.4. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat de minister ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu [appellant] in zijn bezwaar heeft gesteld niet alle gevraagde documenten te hebben ontvangen, had hij reeds daarom belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. De minister had het bezwaar, gelet op zijn standpunt dat wel alle gevraagde documenten waren verstrekt, dan ook ongegrond moeten verklaren.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren, het beroep tegen het besluit van 3 december 2013 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2013 ongegrond verklaren. Tevens zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit.

7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2014 in zaak nr. 13/2736;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 3 december 2013, kenmerk U45556, gegrond;

V. vernietigt het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 3 december 2013;

VI. verklaart het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 april 2013, kenmerk U45556, ongegrond;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzet opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 245,00 (zegge: tweehonderdvijfenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de minister van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Michiels w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

176-773.