Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201408948/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:7965, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2013 heeft het college [appellant A] onder oplegging van een dwangsom gelast alle caravans, vouwwagens, auto's bootjes, aanhangers en dergelijke, die niet aantoonbaar in zijn eigendom zijn, van het perceel [locatie] te Berkel en Rodenrijs te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408948/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2014 in zaak nr. 14/2999 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2013 heeft het college [appellant A] onder oplegging van een dwangsom gelast alle caravans, vouwwagens, auto's bootjes, aanhangers en dergelijke, die niet aantoonbaar in zijn eigendom zijn, van het perceel [locatie] te Berkel en Rodenrijs te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J. Ouwehand, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Kazem en mr. B.V. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting is het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], ingetrokken.

2. Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen het gebruik van de twee kassen en de loods op het perceel ten behoeve van de stalling van onder meer caravans (hierna: de caravanstalling), aangezien dit gebruik in strijd is met het ten tijde van het besluit van 25 september 2013 geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 10e herziening" en het ten tijde van het besluit van 25 maart 2014 geldende bestemmingsplan "Oostland-Berkel".

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door het college het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het niet handhavend tegen de caravanstalling op zijn perceel zou optreden. Hij voert in dit verband aan dat het college ten tijde van het nemen van het besluit van 31 augustus 2009, waarbij bouwvergunning is verleend voor het vernieuwen van een kas, al op de hoogte was van het eventuele gebruik daarvan als caravanstalling en het college, nu het aan die vergunning geen extra voorwaarden voor het gebruik heeft verbonden, stilzwijgend toestemming heeft verleend voor het strijdige gebruik.

3.1. In het door [appellant A] aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel, dat handhavend optreden door het college tegen de caravanstalling op het perceel in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Dat het college naar gesteld bekend was met de situatie en lange tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen, brengt niet met zich dat daartegen niet meer handhavend mag worden opgetreden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 in zaak nr. 201404360/1/A1). Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, uitspraak van 5 februari 2014 in zaak nr. 201304670/1/A1, voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig, dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan een rechtens te honoreren verwachting kan worden ontleend. Dat het college naar gesteld bij de vergunningverlening voor het vernieuwen van een kas op het perceel op de hoogte was van het eventuele voorgenomen gebruik in strijd met het bestemmingplan en geen voorwaarde aan het besluit van 31 augustus 2009 heeft verbonden, betekent wat daar ook van zij niet dat het college daarmee een concrete, ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan dat het niet handhavend tegen het gebruik van het perceel ten behoeve van de caravanstalling zou optreden.

Het betoog faalt.

4. [appellant A] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel van handhavend optreden had moeten afzien. Hij wijst in dit verband op de percelen Kleihoogt 8, Middelweg 39 en Noordeindseweg 426a die volgens hem eveneens worden gebruikt ten behoeve van caravanstalling in strijd met het bestemmingsplan. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat het in strijd met de prioriteitenstelling inzake handhaving van het college is om handhavend tegen het gebruik van zijn perceel op te treden. Verder is ten onrechte in het geval van perceel Kleihoogt 8 een veel ruimere overgangsperiode geboden voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan dan in zijn geval, aldus [appellant A].

4.1. Het perceel Noordeindseweg 426a valt onder een ander planologisch regime en is niet in een glastuinconcentratiegebied gelegen, zodat reeds daarom dat geval niet gelijk is aan het aan de orde zijnde geval. De andere door [appellant A] genoemde gevallen, Kleihoogt 8 en Middelweg 39, worden gebruikt ten behoeve van een caravanstalling in strijd met de ten tijde van de besluiten van 25 september 2013 en 25 maart 2014 geldende bestemmingsplannen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt indien het niet handhavend tegen het gebruik van die percelen optreedt. In het geval van het perceel Kleihoogt 8 gaat het om een tijdelijke situatie voor ten hoogste vijf jaar. Voorts wijkt het perceel Middelweg 39 af van het thans aan de orde zijnde geval nu ten tijde van het nemen van het besluit van 25 september 2013 door de eigenaar van het perceel Middelweg 39 een zienswijze was ingediend tegen het besluit waarbij het bestemmingsplan "Oostland-Berkel" is vastgesteld. Het college verwachtte dat na de afwijzing van deze zienswijze door de raad beroep tegen het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan zou worden ingesteld. Daarom heeft het college nog geen handhavingsmaatregelen getroffen tegen het gebruik van dat perceel. De enkele stelling van [appellant A], dat zijn perceel evenals het perceel Middelweg 39 mogelijk onder het overgangsrecht valt, heeft hij niet nader toegelicht, zodat deze stelling niet kan leiden tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

5. [appellant A] betoogt daarnaast dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college, gezien de financiële gevolgen van de aan hem opgelegde last, van handhavend optreden had moeten afzien, nu glastuinbouw niet winstgevend is en handhavend optreden derhalve onevenredig is.

5.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2014 in zaak nr. 201306560/1/A1, terecht overwogen dat de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene, ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond biedt voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan om die reden behoort af te zien. De rechtbank heeft in de door [appellant A] gestelde omstandigheid dat hij in financiële problemen raakt indien hij zijn kassen niet meer als caravanstalling kan gebruiken, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat hierin een bijzondere omstandigheid is gelegen.

Het betoog faalt.

6. Hetgeen [appellant A] verder betoogt, vormt een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant A] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat ook in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

407-789.