Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201408319/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6155, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de verhuur van de woning op het perceel [locatie] te Colijnsplaat (hierna: het perceel) te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/518
OGR-Updates.nl 2015-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408319/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 augustus 2014 in zaak nr. 13/5736 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de verhuur van de woning op het perceel [locatie] te Colijnsplaat (hierna: het perceel) te beëindigen.

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de opgelegde last op een andere grondslag gebaseerd. Het college heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 7 april 2014 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek in het besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Bij besluit van 12 mei 2014 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij uitspraak van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep voor zover dat was gericht tegen het besluit van 20 augustus 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd en voor zover dat was gericht tegen het besluit van 12 mei 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bebouwde kom Colijnsplaat 2008" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 1, onder 72, van de planvoorschriften is een woning een gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, zijn de voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor de huisvesting van personen. Ter plaatse van de op de plankaart opgenomen subbestemmingen zijn de gronden bestemd voor vrijstaande woningen.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, wordt tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 30, eerste lid, niet gerekend het bieden van logies met ontbijt in de bestaande eet- en slaapvertrekken binnen de woning.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, is het verboden de in dit bestemmingsplan begrepen gronden, gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken, te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.

2. Het college heeft aan het besluit van 12 mei 2014 ten grondslag gelegd dat het gebruik van de woning ten behoeve van recreatieve doeleinden in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Woondoeleinden".

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd is handhavend tegen het gebruik van de woning op het perceel ten behoeve van recreatieve verhuur op te treden, omdat dat gebruik niet in strijd met het bestemmingsplan is.

3.1. Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat de woning op het perceel wordt gebruikt ten behoeve van het recreatief verhuren aan derden voor korte perioden.

De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013 in zaak nr. 201300024/1/A1, overwogen dat uit de in het bestemmingsplan opgenomen definitie van het begrip woning, het vereiste van een zekere duurzaamheid in het gebruik volgt. Bij een vorm van verblijf in het kader van vrijetijdsbesteding, waarbij de woning wordt verhuurd aan derden als recreatieverblijf, is geen sprake van een zekere duurzaamheid, zodat dit niet kan worden aangemerkt als gebruik als woning. Het kortstondig recreatief verhuren van de woning is, gelet op artikel 30, eerste lid, van de planvoorschriften, in strijd met de op het perceel rustende bestemming "Woondoeleinden". De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bevoegd is handhavend tegen het gebruik van de woning op het perceel op te treden.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden door het college in dit geval onevenredig is. Daartoe voert zij aan dat de woning al lange tijd te koop staat en hoge kosten met zich brengt en bovendien de kwaliteit van leefomgeving afneemt zodra aan de opgelegde last wordt voldaan aangezien de woning in dat geval leeg zal staan. De woning wordt uitsluitend verhuurd zolang deze niet is verkocht, aldus [appellante].

5.1. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante] terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college van handhavend optreden had moeten afzien. Het aangevoerde maakt, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving en de omstandigheid dat het gebruik in strijd met het bestemmingsplan geen geringe overtreding betreft, niet dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel van handhavend optreden had moeten afzien. [appellante] heeft geen concrete vergelijkbare gevallen genoemd waarin het college heeft besloten om van handhavend optreden tegen gebruik van een woning ten behoeve van recreatieve doeleinden in strijd met het bestemmingsplan af te zien.

Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellante] haar in beroep aangevoerde gronden herhaalt en inlast, vormt dit een herhaling van hetgeen zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep heeft [appellante] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve ook in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

407-789.