Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201404848/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2011 heeft het dagelijks bestuur [appellant], onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00, gelast om binnen zes weken de overschrijding van de maximaal toegestane hoogte van zijn woonboot "[appellant]hof" aan [locatie] in Amsterdam te beëindigen en beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2015/46 met annotatie van ing. W. Vos
JOM 2015/857
JB 2015/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404848/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2014 in zaak nr. 12/722 in het geding tussen:

[appellant]

en

de rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum (lees: het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft het dagelijks bestuur [appellant], onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00, gelast om binnen zes weken de overschrijding van de maximaal toegestane hoogte van zijn woonboot "[woonboot]" aan de [locatie] in Amsterdam te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de termijn waarbinnen [appellant] aan de last gevolg dient te geven wordt bepaald op zes weken na verzending van dit besluit.

Bij uitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de begunstigingstermijn op zes weken is gesteld, de termijn waarbinnen [appellant] aan de last dient te voldoen vastgesteld op zes maanden na verzending van deze uitspraak en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 januari 2012, voor zover vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. van Kampen, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, werkzaam bij Waternet, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: de Verordening) wordt in dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen verstaan onder woonboot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet.

Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot een ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- en vaartuiggebonden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2.

Ingevolge artikel 2.3.2, tweede lid, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot afmetingen en met het oog op het milieu en de welstand.

Ingevolge artikel 2.3.3, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college een woonboot te vervangen.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, kan het college ten aanzien van het vervangen nadere regels stellen.

Aan het besluit van 25 januari 2012 heeft het dagelijks bestuur de nadere regels die het college heeft gesteld bij de Richtlijnen bij vervanging van woonboten, vastgesteld op 24 mei 1996, (hierna: de richtlijnen) ten grondslag gelegd.

In artikel 3 zijn de maximaal toegestane afmetingen voor onder andere een vervangende woonboot, zijnde een woonark, bepaald. Ongeacht de maten van de te vervangen woonboot mag een dergelijke woonboot maximaal een hoogte hebben van 2,50 meter. Onder hoogte wordt verstaan: het hoogste punt, gemeten vanaf de waterlijn.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen, zoals die gold ten tijde van belang, draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

Ingevolge het vierde lid behoort tot de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang.

2. Bij besluit van 13 september 2005, aangevuld bij dat van 26 april 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam [appellant] een vergunning verleend voor het vervangen van zijn woonboot "[woonboot]" door een te bouwen woonboot "[woonboot]" met een hoogte van 2,50 meter.

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft het college [appellant] een vergunning verleend voor het nemen van een ligplaats aan [locatie] te Amsterdam met de woonboot met een hoogte van 2,50 meter.

3. Aan het besluit van 28 september 2011, gehandhaafd bij dat van 25 januari 2012 behoudens de gestelde begunstigingstermijn, heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de woonboot de in de vervangingsvergunning en in de ligplaatsvergunning, alsmede de in de richtlijnen bepaalde maximaal toegestane hoogte van 2,50 meter overschrijdt. Het is dan ook gehouden handhavend op te treden. Er zijn geen bijzondere feiten of zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van handhaving. Het algemeen belang dat wordt gediend met handhaving van de wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking prevaleert boven het persoonlijke belang bij het in stand laten van de illegale situatie, aldus het dagelijks bestuur.

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was ter zake van de woonboot handhavend op te treden. Hiertoe voert hij aan dat, nu zijn woonboot is bedoeld ter plaatse als woning te functioneren, deze gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014 in zaak nr. 201306684/1/A1 (www.raadvanstate.nl) als bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet worden aangemerkt. Dit houdt in dat voor het innemen van een ligplaats overeenkomstig de Wabo moet worden getoetst aan onder meer het bestemmingsplan. Nu derhalve hogere wetgeving op de woonboot van toepassing is, moet de Verordening onverbindend worden geacht en ontbreekt de grondslag om op basis daarvan handhavend op te treden, aldus [appellant]. Hij verwijst hiertoe naar een brief van 24 juni 2014 van de minister voor Wonen en Rijksdienst.

4.1. Het algemeen bestuur voert aan dat dit betoog tardief wordt gevoerd.

Dit betoog stelt de vraag aan de orde of het dagelijks bestuur bevoegd was op grond van de bepalingen van de Verordening betreffende het innemen van ligplaatsen en het vervangen van woonboten handhavend op te treden. Aangezien deze vraag een ambtshalve te beoordelen aspect is, ziet de Afdeling aanleiding het betoog te beoordelen.

4.2. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van de Verordening zien de in geding zijnde bepalingen van de Verordening niet op een woonboot, zijnde een object dat valt onder de Woningwet. Voor zover een woonboot is aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet, zijn de bepalingen van de Verordening daarop derhalve niet van toepassing. Dit geldt evenzeer voor de richtlijnen die gelden ter uitvoering daarvan.

Inmiddels is de Wabo in werking getreden. De Wabo beoogt gelet op de geschiedenis van de totstandkoming ervan (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 91 en 92) bij het begrip "bouwwerk" aan te sluiten zoals dat onder de Woningwet werd aangeduid. De bepalingen van de Verordening en de richtlijnen worden derhalve geacht evenmin van toepassing te zijn op een woonboot, zijnde een bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 16 april 2014 heeft overwogen, kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk ook bij toepassing van de Wabo aansluiting worden gezocht bij de modelbouwverordening die een bruikbare omschrijving van het begrip bouwwerk omvat. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Zoals de Afdeling voorts in de uitspraak van 16 april 2014 heeft overwogen, is voor de vraag of een woonboot een bouwwerk is in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, doorslaggevend of de woonboot is bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren.

4.3. De woonboot van [appellant] moet worden aangemerkt als bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De woonboot is immers bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren, nu deze sinds 2007 door [appellant] en zijn gezin wordt bewoond en een plaatsgebonden karakter heeft. [appellant] heeft de ligplaats ingenomen met de bedoeling de woonboot ter plaatse afgemeerd te houden en te gebruiken als vaste woonplaats.

4.4. Gelet hierop zijn de bepalingen van de Verordening en de richtlijnen niet van toepassing op de woonboot van [appellant]. Het dagelijks bestuur was derhalve ter zake niet bevoegd op grond van die bepalingen handhavend op te treden.

Het betoog van [appellant] slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 25 januari 2012 in stand heeft gelaten, de termijn waarbinnen [appellant] aan de last dient te voldoen heeft vastgesteld op zes maanden na verzending van de uitspraak en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 januari 2012, voor zover vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat besluit in zoverre alsnog vernietigen. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 28 september 2011 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2014 in zaak nr. 12/722, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van 25 januari 2012, kenmerk 11004003, in stand heeft gelaten, de termijn waarbinnen [appellant] aan de last dient te voldoen heeft vastgesteld op zes maanden na verzending van de uitspraak en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit, voor zover vernietigd;

III. vernietigt het onder II vermelde besluit in zoverre;

IV. herroept het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van 28 september 2011, kenmerk 11.034486;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

176-741.