Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201409258/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterrein Groeneweg" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409258/1/R4.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Heenvliet, gemeente Bernisse,

appellante,

en

de raad van de gemeente Vlist, thans gemeente Krimpenerwaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterrein Groeneweg" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2015, waar [appellante], vergezeld door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door R. Huizinga, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het beroep van [appellante] is gericht tegen artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder c en d van de planregels, voor zover dit betrekking heeft op het perceel nabij [locatie] te Stolwijk met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie". [appellante] betoogt dat op grond van deze bepalingen ten onrechte maximaal 35 m² aan bebouwing en een berging met een maximale oppervlakte van 5 m² zijn toegestaan op het perceel. Zij voert hiertoe aan dat een berging van 5 m² te klein is voor de stalling van de werktuigen, fietsen en tuinmeubelen. Het perceel was volgens [appellante] van 1964 tot 1989 in gebruik voor agrarische doeleinden en is sindsdien voor recreatieve doeleinden gebruikt. Op het perceel zijn volgens [appellante] naast een stacaravan sinds 1964 een stal, een caravan en een berging aanwezig. Zij wenst naast de stacaravan de voormalige stal te behouden en wijst er op dat dit gebouw vanaf de weg niet zichtbaar is.

2.1. De raad stelt dat de stal zonder bouwvergunning is opgericht. Dit gebouw viel volgens de raad niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Stolwijk 1977". De daarop volgende bestemmingsplannen kenden volgens de raad geen legaliserend overgangsrecht. De raad stelt zich dan ook op het standpunt dat de stal niet onder het overgangsrecht valt, maar illegaal is. Het algemeen belang van een eenduidig ruimtelijk beleid met betrekking tot recreatieverblijven in de gemeente dient volgens de raad onder deze omstandigheden zwaarder te wegen dan het belang van [appellante].

2.2. Aan het perceel nabij [locatie] te Stolwijk is de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, van de planregels mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels:

(…)

c. per bouwvlak is maximaal 35 m² aan bebouwing toegestaan;

d. in aanvulling op het gestelde onder c is tevens per bouwvlak één berging toegestaan met een oppervlak van maximaal 5 m²

(…).

In de plantoelichting is vermeld dat met deze regeling een passende hoeveelheid aan bebouwing wordt toegestaan en recht wordt gedaan aan de verschillende behoeftes van de eigenaren van de percelen in het plangebied.

2.3. Vast staat dat op het perceel van [appellante] onder meer een stacaravan van 33 m² en een voormalige stal met een vergelijkbare oppervlakte aanwezig zijn. Voornoemde planregeling maakt het dus niet mogelijk om zowel de stacaravan als de stal te handhaven. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat voor de stal destijds geen bouwvergunning is verleend en dat de stal derhalve illegaal is opgericht. Nu het in dit geval gaat om een illegaal bouwwerk is het gemeentebestuur bevoegd om handhavend op te treden teneinde de verwijdering van de stal binnen de planperiode te bewerkstelligen. In de plantoelichting is vermeld dat handhavend zal worden opgetreden tegen illegale bebouwing die de voornoemde maximale oppervlakten van 35 m² en 5 m² te boven gaat.

Het enkele feit dat een illegaal bouwwerk reeds lange tijd aanwezig is, rechtvaardigt op zichzelf niet dat het als zodanig wordt bestemd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat - gezien het belang van een eenduidige regeling voor de maximale oppervlakte van gebouwen met een recreatieve bestemming binnen de gemeente - het toestaan van bebouwing en een berging met een grotere maximale oppervlakte dan 35 m² en 5 m² niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van Leening

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

528-780.